Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

George voelde het bloed naar zijn gezicht stijgen. „Geen wonder na zoo'n warmen dag," zeide hij lachend; „we moesten maar liever gaan roeien." „Maar dan moet jij werken," plaagde Willy. „Graag, als jij stuurt."

't Was heerlijk op het water; koel zonder wind. Het kanaal liep als een rivier tusschen hooge oevers, de ondergaande zon deed de rimpeltjes tintelen in rose gloed.

En langzamerhand vervloeide het rose, werd tot een bleek-gelen schijn, die weer vernevelen ging tot grijs. Willy zat met George en Lize Opfers en van Marle in het ééne bootje; ze wist zelf niet hoe het kwam : George moest het er op aangelegd hebben, en ze vond het heerlijk rustig; ze was in eene stemming van verlangen naar kalm genieten van den heerlijken avond.

Uit het andere bootje klonk luidruchtige scherts, vroolijk gelach, als blijde klanken voortgedragen over het water; Lize en van Marle spraken zachtjes samen, George roeide zwijgend, de oogen gericht op Willy die aan 't roer zat, haar hoofd afschijnend tegen den lichten hemel, in de lokjes aan hare slapen een weerschijn van den gouden gloed.

Ze gingen een klein riviertje op, waar het bootje dreef tusschen waterlelies en irissen; de oevers waren hier laag, dicht begroeid met kreupelhout, zich in donkere diepten uitstrekkend; het gras was licht-groen, donzig, en zacht, uidokkend tot rusten.

Ze legden aan, gingen in het gras zitten, druk pratend en schertsend. Willy wenschte, dat zij hier alleen kon zijn; in hare zachte droomerige stemming hinderde haar de luidruchtigheid om haar heen.

Sluiten