Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dag Willy; er is toch niets?" vroeg hij, hare stemming deelend, vóór hij de oorzaak kende. „Met mij niets; maar pa en ma zijn naar Emma." „Is daar iets gebeurd?"

Willy knikte, ging over hem zitten op de canapé.

„Ja; we kregen gisterenavond een half wanhopigen brief van Em; Eduards geldzaken zijn niet in orde."

„Wat?"

„Hij schijnt een heelen tijd geleden al verliezen gehad te hebben, en heeft die telkens willen herstellen, tot er geen redden meer aan was."

„Arme kerel!"

„Neen, zeg dat niet," viel Willy driftig uit, „hij heeft leelijk gehandeld."

„Ja, er wordt te veel gespeculeerd."

„O nee, dat nog daargelaten ; hij is ongelukkig geweest; iedereen, die veel geld heeft, schijnt te speculeeren, maar hij had het niet voor Emma stil moeten houden. Nu heeft ze natuurlijk even royaal geleefd als altijd, tot ze op eens als een slag hoort, dat er niets is."

„Misschien heeft hij dat gedaan om haar niet ongerust te maken."

Willy's peinzende oogen keken hem even aan.

„Zou je dat denken?" vroeg ze langzaam. „Ik geloof het niet; uit Emma's brief maak ik tusschen de regels op, dat hij haar nog een verwijt maakt van hare zorgeloosheid."

„Dat is gemeen!"

„Het natuurlijk gevolg. Nee, weet je, George, de fout ligt diep, heel diep, in hun huwelijksleven." „Ze zijn toch gelukkig.", Willy's kleur werd hooger. „Ben je wel eens lang bij hen geweest?" vroeg ze.

Sluiten