Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Natuurlijk, maar 't is vreemd, dat een mensch bijna nooit heelemaal bedroefd of heelemaal gelukkig kan zijn.

Wat leed in lust, wat lust in leed, Zóó is ons aardsche leven . . . ."

„Ja," zeide hij ernstig; „het leven is vol van allerlei geluk en verdriet."

Beiden zwegen even; Willy zat een weinig achterover geleund op de canapé, haar hoofd tegen het donkere kussen.

George kon niet laten, haar aan te kijken, maar zijn ongeduld was plotseling geweken, hij kreeg een gewaarwording of hij heel tevreden moest zijn met wat hij bezat; alsof meer te wenschen zijn geluk aan 't wankelen zou brengen.

„Natuurlijk moet het geheim blijven," begon Willy weer, „ik heb het jou verteld, omdat... omdat ik niet anders kon. Het heeft me goed gedaan, er met je over te praten."

„Ik heb toch weinig troostrijks kunnen zeggen."

„O nee, maar ik weet, dat je er voor meevoelt, en dat doet al goed. Mama begrijpt me niet, en jammert alleen over het verloren geld; ik zou dat zoo vreeselijk niet vinden, als ze hun innerlijk geluk maar behouden hadden. Papa zal hen bovendien wel helpen met het geldelijke; maar aan dat andere kan niemand iets doen, ook zij zelf niet. Ik weet nu, hoe de menschen aan 't spreekwoord zijn gekomen: als de armoede de deur inkomt, vlucht de liefde het raam uit. Eigenlijk moest het zijn: als de armoede de deur inkomt, merkt men, dat de liefde niet in huis is. Echte liefde laat zich immers niet op de vlucht jagen door materiëele zorgen."

Sluiten