Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mij goed; ze zullen 't wel aardig vinden," zei Marie.

„Ik wed, dat ze expres niet omkijken, al merken ze 't."

Willy bemerkte spoedig de vreemde stilte, en keek om.

„Waar zijn de anderen?"

Ze keerde zich om; George raakte even hare hand aan.

„Laat ze maar," zei hij met iets dringends, „ze hebben misschien een ander pad genomen; laat ons dit volgen."

„Ze zullen ons zoo uitlachen."

„Wat doet dat er toe?"

Ze bood niet langer tegenstand, volgde hem zwijgend; ze voelde, dat hij haar iets ging zeggen, maar toen ze naar hem opzag, was er eene vreemde uitdrukking in zijne oogen, iets als medelijden of angst, geen verlangende vreugde, als bij de nadering van het hoogste geluk.

De stilte om hen heen begon haar te drukken; ze trachtte opgewekt te praten, maar hij antwoordde bijna niet, en ze zweeg weer, luisterend naar het ritselen van haar japon tegen de varens.

Het groene pad, nauwelijks breed genoeg voor hen beiden, voerde naar de open plek, waar ze elkaar voor 't eerst ontmoet hadden, maar 'tliep nu nog door een dicht bosch van beuken, door kamperfoelie omslingerd, waartusschen de varens hoog opschoten, en de klimop over den grond kroop.

Ze liepen dicht naast elkaar; Willy voelde de aanraking van zijn arm.

„Willy," begon bij in eens, zich dwingend tot spreken, „je zei straks, dat iemand als Zenneveld

Sluiten