Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII.

Toen Willy alleen was in de gang. voelde zij de kracht van zich wijken, die haar in staat had gesteld te praten, terwijl de anderen er bij waren; ze liep nu met moeite voort, werktuigelijk 't salon binnen, waar ze 's middags gewoonlijk met hare moeder zat.

Ze schrikte toen ze hare moeder zag; ze moest daar ook niet binnengaan, ze wilde immers alleen zijn.

Mevrouw keek op. „Dag Wil. Hé, scheelt er iets aan?"

Willy poogde te glimlachen, maar haar gezicht was strak als perkament; hare oogen staarden groot rond, zonder iets anders te zien, dan dat ze niet alleen was, zooals ze wenschte.

Ze leunde even tegen een stoel.

„Ik ben niet erg prettig geworden."

Mevrouw keek haar een oogenblik onderzoekend aan; toen zei ze alleen een beetje kortaf: „Misschien van de warmte."

Willy knikte. „Ik wou maar naar bed gaan," fluisterde zij.

„Ja, dat is misschien het beste," zei mevrouw, en hef bezorgd: „Wil ik meegaan naar boven?"

Willy schrikte. „O nee, dank u, ik kan best alleen," zei ze zenuwachtig.

Mevrouw keek haar na met de gedachte: „Wat heeft dat te beteekenen? Zeker iets met Wardorf."

Willy liet zich in haar kamer op een stoeltje vallen voor 't raam, waar de kastanjeboom naar binnen keek, in zacht ruischen zingend van de natuur en al het heerlijke buiten, maar Willy hoorde 't niet.

Er was een vreemde dofheid in haar hoofd,

Sluiten