Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote kamer was licht maar koel, zonder zon, de even-open ramen een weinig zomerlucht binnenlatend. George zag alleen Willy, staande bij de canapé, waar hij een paar dagen te voren met haar gezeten had.

Ze kwam hem niet tegemoet; ze wachtte op hem met gebogen hoofd, haar gansche lichaam trillend.

George kwam naar haar toe, stak zijne hand uit; ze raakte die even aan* met hare ijskoude vingertoppen; toen keek ze een oogenblik naar hem op met vreemde strakke oogen, hare lippen op elkaar geklemd tot een dunne streep.

Hij begreep al, vóórdat ze iets zeide.

„Willy?"

Ze hoorde zijn' angst in het ééne woord; maar haar gezicht bleef strak; alleen hare lippen opende ze even als een automaat.

„We moeten afscheid nemen," zei ze dof, eentonig, alsof ze uit de verte sprak.

Hij schrikte: de waarheid was zooveel harder, dan elke voorstelling, waarin zich altijd nog gedachten van hoop drongen.

„Moeten we? Weet je dat, Willy? O God, dat kan immers niet," zei hij verward, zoekend naar woorden. Hij voelde, dat hij iets anders had willen zeggen, iets heel moois, dat zijn geluk zou redden; maar hij was 't vergeten: zijne gedachten waren verdronken in een vreemd week gevoel, dat tranen naar zijne oogen drong.

„Wil je gaan zitten?" vroeg .Willy werktuigelijk, gedrongen door het dwaze letten op kleinigheden, dat ons dikwijls eigen is in het pijnlijkste leed. Ze verbaasde zich, dat hij zich in een damesstoel liet vallen, met zijne voeten op een voetbankje;

Sluiten