Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om Willy's strakke lippen kwam iets als een glimlach zonder vroolijkheid.

„Een mooi soort geluk! Zoo iets als dat van een krankzinnige, die denkt koning of keizer te zijn; maar o wee, als hij gaat twijfelen, doordat men hem heeft doen begrijpen, dat er zoo heel weinig keizers en koningen zijn. En bovendien ...." ze keek hem in de oogen, „je zoudt het toch eenmaal gezegd hebben, dat weet ik; en als we dan.... getrouwd waren, zou 't nog veel erger zijn; dan was ik eene gevangene die niet weg kon. O, wat zou ik me dan geschaamd hebben."

Ze hield hare hand voor de oogen, rillend bij de gedachte.

Hij begreep niet geheel haar meisjesgevoel, legde het verkeerd uit.

„Vindt je mij dan zóó slecht?"

„Nee; je zegt immers, dat je er geen kwaad in zag, dus was 't voor jou geen misdaad. Maar dat is 't juist, begrijp je 't niet? Ik dacht dat je er wèl kwaad in zoudt vinden, dus hield ik je voor.... anders dan je bent. Je hebt niets tegen mij persoonlijk misdreven, maar...." ze boog het hoofd, een weinig verlegen, 't bloed opstijgend in haar gezicht, „een meisje moet zichzelve rein bewaren voor den man, die haar eenmaal tot vrouw zal nemen; waarom zou van een man niet hetzelfde geëischt worden?"

George hoorde dit niet voor 't eerst, maar 't was of hij nu pas de waarheid ervan begreep.

Hij zuchtte.

„Waarom heb ik dat vroeger niet ingezien? Is 't nu werkelijk te laat om iets goed te maken?"

Sluiten