Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zuchtte; was nu het leed al gekomen tot dat kind, dat scheen geboren te zijn voor zonneschijn en licht en geluk? Hij zelf had niet veel lieflijks ondervonden, maar hij had er nooit over gemord; nu echter kwam in zijn hart een gevoel van opstand tegen het leven, dat hard en wreed was voor zijne lieveling.

Hij zou haar graag getroost hebben, maar wist niejs te zeggen, en juist die zwijgende teederheid deed Willy goed; ze voelde duidelijker dan ooit, dat haar vader wist wat leed was, dat zijn ziel, die zich nooit uitte, toch verwant was aan de hare.

„Zou je niet eens uit willen gaan?" vroeg hij eindelijk.

„Uitgaan ?"

„Ja, ik bedoel uit logeeren gaan, een poosje weg van hier," zei hij met ongewone levendigheid.

„Hé ja, dat zou goed zijn," viel Willy in, maar dadelijk neerslachtig: „maar waar naar toe?" Ze zag met schrik in hare verbeelding* veel vroolijke menschen, waarbij ze zich onophoudelijk opgewekt moest voordoen.

„Naar Emma bijvoorbeeld; ze heeft 't nu ook niet heel vroolijk en zou zeker blij zijn als je kwam. Zal ik 't haar schrijven en er eerst mama over spreken?" Willy kuste haar vader.

„Heel graag," fluisterde ze aan zijn oor. „U bent toch zoo'n lief vadertje!"

Ze begreep, dat 't voor hem heel wat beteekende, dit bedacht te hebben; hij nam nooit 't initiatief voor een plannetje.

„Wanneer wil je dan gaan? Overmorgen?"

„Best, als mama er niet op tegen heeft."

„O, nee, wees daar maar niet bang voor."

Sluiten