Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Schei nu asjeblieft uit; ik kan geen huilen uitstaan, dat weet je immers; 'tirriteert me. Je hebt net zoo goed het geld uitgegeven als ik, zoo niet meer."

„Ga je me dat nu verwijten?" vroeg ze bijna onhoorbaar.

„Och, met jullie vrouwen is nooit te redeneeren."

Hij liep de kamer uit, de deur met een smak dicht trekkend.

Emma bleef doorschreien, ze voelde zich bedroefd en verongelijkt. Voor 't eerst in haar huwelijk was Eduard driftig tegen haar geweest, en dit hinderde haar meer, dan iets anders doen kon. Zijn onredelijk verwijt trof haar, omdat zij zich altijd overtuigd had gehouden, dat hij haar als huisvrouw bewonderde. Daarbij vreesde ze voor 't verschil in leefwijze, dat haar te wachten stond.

Na een oogenblik stond ze op en begon haastig een brief naar huis te schrijven; misschien kon haar vader helpen.

De brief was in opgewonden toon geschreven, maar toen hare ouders den volgenden dag kwamen, vonden ze Emma en Eduard kalm, verheugd dat de heer van Meersen hen helpen wilde.

En nu hield Eduard zich bezig met bedenken, hoe hij 't minst schade zou lijden door de bezuiniging, die ze zich toch getroosten moesten.

Hij wilde niet graag zijne sociëteit opgeven, of zijne jacht, of de clubavonden met 't lekkere soupertje; toch begreep hij, dat't moeielijk zou gaan, zelf alles te behouden, en bij voorbeeld Emma's kleedgeld te verminderen, of Wim op een goedkoopere school te doen; dus deed hij moeite, uit te vinden, welke van zijne persoonlijke genoegens hij 't best kon missen of minder kostbaar maken.

Sluiten