Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nu ja, 't mag een veertien dagen schelen; je moet nu ook maar een heelen tijd blijven."

Terwijl Willy naar hem luisterde en antwoord gaf, dacht zij aan 't vorige jaar; hoe heel anders had ze zich toen gevoeld! Ze herinnerde zich nog zoo goed haar gesprek met Emma over 't huwelijk, en plotseling trof haar de gedachte, dat Eduard vóór zijn trouwen zeker ook menigmaal zijn ziel had laten beheerschen door zijne zinnen. Emma had dat natuurlijk niet geweten, maar zou zij 't nu weten? Zouden ze er ooit samen over gesproken hebben, of zou 't bij haar bij vermoedens moeten blijven?

Zou Eduard misschien nog wel eens .... ?

Deze gedachten bleven haar bij, werden tot een obsessie, waaraan ze niet meer ontkomen kon; ze kon geen man ontmoeten, of ze deed zich dezelfde vragen; elk boek, dat daarmede geen rekening hield, noemde ze onwaar; in de werkelijkheid bestond immers altijd dat.

Tot nu toe had ze het als uitzondering beschouwd, dat een man de wetten der zedelijkheid schond, wel als iets dat veel voorkwam, maat toch nooit als regel, nu echter moest ze 't gaan beschouwen als iets gewoons, dat bij uitzondering niet voorkwam, en dit gaf haar een wanhopig gevoel van gedruktheid en weerzin tegen het leven.'

Het scheen wel, alsof ze er nu altijd van hooren moest, alsof ze het overal zag, als iets dat haar vervolgde. Wanneer ze Emma's kinderen aanzag kwam telkens het denkbeeld in haar op, dat ze later ook dien weg zouden opgaan; daar was geen redding voor: allen deden het immers. Ze zouden ook meisjes ongelukkig maken of bedroefd, of misschien ook zou 't dan zoo algemeen zijn,

Sluiten