Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind kwam nader.

„Wat kijk je raar, tante," zei hij: „ben je ziek?"

Willy schrikte dus het kind zag 't al aan

haar. Ze glimlachte flauw.

„Ik ben een beetje koud geworden. Mooie plaatjes," zei ze als in een droom. „Ga nu maar gauw weer naar Wim."

„Nee, tante moet meegaan," vleide het kind, trachtend haar van de bank te trekken.

Willy liet zich meevoeren, ze moest luisteren naar de kinderen, plaatjes en houten beesten bekijken, daarna met Emma praten over het nieuwe huis, en ze voelde de gedruktheid een weinig wijken.

Maar 's avonds, toen ze alleen was in hare kamer, kwam weer de spanning in haar hoofd, nam toe met iedere minuut.

Toch, werktuigelijk, kleedde ze zich uit, ging naar bed, en viel dadelijk in slaap, maar ineens, midden in den nacht, schrikte ze wakker meteen vreemd gevoel. Ze was geheel wakker, maar toch niet in staat goed te denken; dit moest het begin zijn van de krankzinnigheid, die ze den vorigen dag had voelen aankomen. Ze dacht aan den vijver ... gauw, gauw opstaan, haar langen mantel

omslaan en de deur uit als ze wachtte zou

ze 't misschien niet meer kunnen doen.

Ze gooide de dekens van zich af, maar toen ze haar gezicht keerde naar de donkere kamer, kwam een verlammende angst over haar; er was iets in die tastbare duisternis, wat wist ze niet, maar iets vreeselijks dat haar bang maakte. Ze wilde zich verzetten, maar kon niet, ze durfde niet opstaan; als ze een stap deed, zou dat vreeselijke iets zich op haar werpen, het kwam nu al nader, 't hield de wacht vóór haar bed.

Sluiten