Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Snel trok ze de dekens weer op, hoog over haar gezicht; ze durfde geen geluid maken, zich niet bewegen zelfs, want dan zou 't komen, en haar de keel dichtdrukken. Zóó wilde ze niet sterven; ze zocht wel den dood, maar met haar eigen wil; ze was bang voor dat vreemde geheimzinnige iets daar in de duisternis; rillend, met zweetdruppels op haar voorhoofd, bleef ze liggen, uren lang, tot het eerste daglicht begon te schemeren-; toen eindelijk viel ze weer in slaap.

„Tante, 't is al half tien; ma vraagt of je niet opstaat."

Willy voelde iets zachts in haar gezicht; ze opende de oogen. Goddank, helder licht en vlak bij haar Kareis gezichtje. Dat gaf rust, maar ze was zoo moe, hare oogen werden dichtgedrukt.

„Ik wou nog een beetje slapen," zei ze droomerig. Eer Karei de kamer uit was, sliep ze alweer.

Toen ze weer wakker werd, was 't twaalf uur; ze stond op en keek de kamer rond met de nog vage herinnering, dat ze 's nachts iets vreeselijks gevoeld had. Langzaam werd haar weer duidelijk, wat het geweest was; ze vond zichzelve nu dwaas, ze was als een kind bang geweest in donker, dat was al. .

Langzaam begon ze zich aan te kleeden; nu zich heel kalm voelend, onverschillig eigenlijk; ze wilde geen moeite meer doen ergens over te denken, gemakkelijk voortleven was 't beste, Wat gaf 't, te treuren om 't onveranderlijke en je zelf ongelukkig te maken voor niets? Ze wou dat niet meer doen, ze wou weer vroolijk worden en gewoon; dat kon immers best! Ze kon op 't oogenblik al aan George denken zonder eenige

Sluiten