Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O tante, wat ben ik blij dat u beneden bent, voordat ik naar school ben," zei Wim. Karei trok haar in een stoel, en klom dadelijk op haar schoot.

Ze liet het zich welgevallen, maar haar gezicht bleef ongewoon strak.

„Stil, jongens, maak 't tante niet zoo druk," zei Eduard. „Tante heeft hoofdpijn."

„O nee, dat is al weer over."

„Je ziet toch nog bleekjes."

„Let daar asjeblieft niet op, dat is zoo vervelend," viel Willy uit; „ik word niet graag beklaagt."

Eduard zweeg, begon kalm een broodje te smeren; de kinderen liepen van tante weg.

Emma keek Willy even aan.

„Er is een brief van ma."

„Zoo, hoe gaat 't thuis?"

„Best."

„Mag ik hem ook lezen of is hij alleen aan jou?"

„Eigenlijk wel, maar je moogt hem gerust lezen; na de koffie dan."

„O nee, als je 't bever niet hebt . . . ."

„Daar zeg ik niets van," zei Emma kalmeerend; „maar 't houdt nu zoo op, en Edo heeft een beetje haast."

„Ja, we hebben zoo lang op onze logée gewacht," zei hij plagend.

„Dat was volstrekt niet noodig; ik heb toch geen^trek," zei Willy wrevelig.

Emma boog zich over haar heen.

„Ga een beetje in de veranda zitten; 't is daar koel en rustig," fluisterde ze: „ik zal je een kopje koffie brengen."

Willy stond plotseling op; trok haar' stoel met een ruk aan tafel.

Sluiten