Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zeur toch niet; ik zeg immers dat me niets mankeert."

Ze nam een boterham, smeerde dien haastig en begon te eten, hoewel met groote moeite.

„Komt er vanmiddag visite?" vroeg ze.

„Zoover ik weet niet; willen we gaan wandelen ?"

„Hé ja, naar 't theehuisje," zei Willy plotseling opgewonden, „daar ben ik nog niet geweest dezen keer; en laten we dan wat chocola meenemen voor die aardige kinderen daar."

„Mag ik ook mee?" vleide Kareltje.

„Natuurlijk; niets vaster dan dat." Willy sloeg hare armen om den jongen en begon hem op zijn' stoel heen en weer te wiegen op de maat van een roeiliedje, dat ze neuriede.

„Ik ook schuitje varen 1" riep Wim.

„Eerst boterham eten," zei Edo.

„Och," zei Willy boos. „laat de kinderen toch eventjes schuitje varen."

Ze begon nu druk met de jongens te praten, maakte hen onophoudelijk aan 't lachen.

Emma keek bezorgd naar haar, maar durfde niets meer zeggen.

Toen Eduard en de kinderen weg waren, begon Emma de koffietafel op te ruimen.

„Wil ik je helpen?" vroeg Willy.

„Och nee, kind; blijf nu maar eens rustig zitten."

„Ook goed; aangeboden diensten .... enz., je weet de rest en ik ook," zei Willy scherp; ze ging naar de serre, liet zich in een schommelstoel vallen en staarde naar buiten, zonder iets te zien.

Wat was ze toch vreemd, heel anders dan gewoonlijk. Ze begon zeker een slecht humeur te krijgen, maar ze kon er niets aan doen: iedereen hinderde haar eigenlijk.

Sluiten