Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze wiegde haar hoofd heen en weer; dat strakke gevoel was er nog; dat maakte alles in haar hard. Ze lachte om dat idée.

Zóó waren dan zeker de menschen met een' steenen hart, waar ouderwetsche sensatie-romans altijd vol van waren; zoo'n onbarmhartige graaf, die onschuldige kinderen of oude menschen liet geeselen, moest zeker zóó gevoeld hebben. Het zou haar nu ook niets kunnen schelen, al zag ze een kind doodslaan; 't was gek, maar ze wist 't zeker. Toch, prettig was dat gevoel niet of liever dat niet-voelen; als ze eens altijd zóó bleef . . . dat zou ze niet graag willen. Maar als ze niet zoo bleef, zou er zeker weer verdriet komen, en dat was misschien nog erger.

Ze keek in den tuin; wat zag alles er lichten warm uit, onuitstaanbaar warm 1 om te stikken ... bah!

Zou George nog in Damburg zijn? De brug was nu zeker klaar. Ze zou er dikwijls over loopen, of nee, ze wilde er niet over, want die brug was de schuld van alles. Gek, zoo'n dood ding; maar ze kon de brug niet meer uitstaan.

Een arm werd om haar hals gelegd en Emma zei zacht, als bang haar aan 't schrikken te maken; „Ziezoo, Wil, ik ben klaar; wil je nu ma's brief lezen?"

„O ja dat 'swaar, geef maar hier."

„Wil," zei ze met ongewone warmte in hare kalme stem, „ik kan 't niet meer uithouden. Ik heb aldoor gezien, dat je niet gewoon was; je hebt verdriet."

Wiily staarde haar aan met strakke oogen.

„Heb ik verdriet? Heusch?" vroeg ze langzaam. „Wel neen, je vergist je, gerust.

Sluiten