Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou 't niet kunnen aannemen, Ik vind 't zelf ellendig, dat ik zoo ben; 't is zooveel gemakkelijker te zijn als jij.

„Ik wou, dat George nooit van me was gaan houden, dan behoefde hij nu geen verdriet te hebben."

„Kan je hem dat dan aandoen?"

„Ik moet wel; of wou je, dat ik hem uit medelijden aannam?"

„Als je werkelijk van hem hield zou je zoo niet redeneeren."

„O Em!"

't Klonk als een kreet van pijn.

„Als je wist, hoe graag ik niet zou redeneeren, maar ik moet wel; ik heb te dikwijls gezien, hoe gauw dat onberedeneerde, vage geluk verdwijnt. Ik heb soms een onweerstaanbaar verlangen, me maar over te geven, en zonder denken gelukkig te zijn, zoolang het duurt, maar ik weet, dat dat heel kort zou zijn en 't leven is zoo lang."

Emma zei niets meer, ging naar Kareltje, die juist thuis kwam. Ze had medelijden met Willy, maar kon geen troost brengen, omdat ze zoo verschillend voelden en dachten.

Toch bleven Emma's woorden ^Villy bij; langzaam wiegelend in den schommelstoel dacht ze na.

Was dan toch het grauwe geluksvogeltje, dat ze niet had willen grijpen, niet zoo'n heel gewoon diertje? Had 't misschien nog iets heel moois, waar ze niet op gelet had? Ze bekeek het nog eens van alle kanten. Maar niets zou 't gemis van den goudglans kunnen vergoeden; het was toch niet de prachtige vogel, dien ze in hare verbeelding gezien had; die was onherroepelijk weg, en ze verlangde geen mindere.

Sluiten