Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't was als een woud van marmeren boomen, een doodenhof, waar de gestorven boomen kwamen spoken in hun witte doodskleed, geheimzinnig stil, zoodat het kraken van een takje iets schrikwekkends had.

Willy rilde, alsof de koude witte boomen Baar aangeraakt hadden; toch stapte ze flink door, het breede boschpad langs; ze kon altijd goed denken terwijl ze liep, en haar hoofd was nu zoo helder.

Ze wilde een verandering brengen in haar leven; zooals 't nu was, verveelde 't haar onuitsprekelijk, drukte haar neer door zijn eentonige sleur van nietige pleiziertjes en nog nietiger werkjes, niet geïdealiseerd of poëtisch gemaakt door gedachten aan een groot geluk, dat het hare was of zou worden. Zou ze zóó voortbestaan, tot ze zestig of zeventig jaar zou zijn, langzamerhand vastgroeiend in het klein-steedsche leven, dat haar nu zoo tegenstond?

Het beuzelachtige en onware in den vriendschappelijken omgang van menschen, die geen sympathie voor elkaar hadden, alleen saamgebracht omdat ze van één stand waren en in 't zelfde stadje woonde, liet haar niet meer onverschillig, t walgde haar.

Ze kon bijna niet meepraten, zat dikwijls stil, voortdurend peinzend over haar eigen leed, en over dat van anderen, dat ze nu altijd om zich heen zag, aan alle kanten.

Terwijl ze schijnbaar luisterde naar de gesprekken, voelde ze menigmaal onweerstaanbaren aandrang uit te schreeuwen: menschen, die uren verbeuzelt met lachen en praten over aardige, lieve, mooie, kleine dingetjes, weet je niet, dat in de wereld

Sluiten