Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zooveel leelijks is, en zooveel schrijnende smart en zooveel schreeuwende honger?

Misschien wisten die menschen het niet of dachten ze er niet over, maar 't was toch dwaas, dat zij, die 't wel wist, en er veel over dacht, daar ook zat en niets deed en meepraatte en lachte, terwijl haar hart meetrilde met het leed daar buiten, omdat het er ook door aangeraakt was. O, te denken, aan dat alles, en niets te kunnen doen om hulp of verbetering aan te brengen, 't was als een ondragelijke last van wanhoop, die haar dikwijls deed snikken door 't gevoel van machteloosheid.

Soms ook was weer die vreemde strakheid in haar hoofd, die haar onverschillig maakte en haar denken verwarde, doch 't was nooit meer zoo sterk als de eerste maal; ze wist nu altijd zelf, dat hare gedachten en haar gevoel niet normaal waren en ze zocht er aan te ontkomen; dubbel lijdend dan door den doodelijken angst, dat 't haar niet gelukken zou, dat haar verstand langzaam verder en verder weg zou drijven, tot ze 't niet meer terug kon roepen.

Als dit weer voorbij was, kwam ze gewoonlijk in eene stemming van stille melancholie; treurigheid om haar eigen leed, dat toch altijd scherp omlijnd stond tusschen al het andere; er was dan een smachtend verlangen in haar naar George, naar het geluk, dat ze zoo dichtbij had gezien, zonder het te kunnen grijpen.

Ze zag dit alles heel duidelijk nu, in het stille witte licht onder de boomspoken; zóó was haar bestaan tegenwoordig en 't kon zoo niet blijven.

't Was toch onmogelijk, dat het leven, waarvan ze zoo oneindig veel verwacht had, niets was dan uiterlijk dat grauwe voortbestaan van den eenen

Sluiten