Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze liep hard, met gebogen hoofd, bijna niet denkend nu tot ze weer op den straatweg was. Toen bleef ze staan, glimlachend om haar angst.

Wat was ze toch veranderd. Vroeger had ze altijd gelachen om zenuwachtige meisjes, die bang waren voor niets, die niet alleen durfden loopen in de eenzaamheid van het bosch, en nu was ze zelf zóó.

Alles hing toch af van je eigen stemming: hoeveel mooier en lichter zou ze alles zien als ze zich aan George had mogen geven, als ze nu samen deze wandeling maakten. Dan zou de somberheid haar niet gehinderd hebben, ze zouden dat reine wit mooi hebben gevonden als een bruidskleed.

Vreemd toch, niet te begrijpen eigenlijk, dat ze elkaar maar zoo kort gekend hadden, en dat ze nu weer ieder hun eigen weg moesten gaan, elk met hun eigen last van leed, zonder elkaar te helpen, het te dragen.

De tijd van hun samenzijn zou van invloed blijven op hun beider geheele leven; hij had immers gezegd, dat ze al veel voor hem geweest was.

Dus haar leven was al nuttig geweest, maar niet genoeg, niet om het geheel waarde te geven; ze had hem niet eens gelukkiger gemaakt, en dit was toch het eerste, wat liefde verlangt te doen.

En ze had hem lief... het was eene verwarring van denkbeelden in haar hoofd, waar zij den weg niet in kon vinden; misschien zou ze dien leeren, door veel van het leven te zien, door den omgang met knappe menschen, die veel gedacht hadden en ondervonden.

Ze stapte nu weer flink door, naderde al tot de eerste huizen van Boschvoort. Bah, wat zag 't er toch vervelend uit, hoe had ze 't er ooit prettig

Sluiten