Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nee, nee, dat kan wel wachten. Heb je iets bijzonders?"

Hij keerde zich half naar haar toe, deed moeite zijne gedachten te bepalen bij wat ze hem ging zeggen.

„Weet u wel, dat u me verleden zomer eens hebt aangeraden uit logeeren te gaan . . . toen — bij Emma?"

„Ja, ja zeker, dat weet ik, kindje."

Zijn toon werd heel zacht, nu hij zich haar verdriet weer herinnerde, dat hij voorbij waande.

„Het heeft je toen immers goed gedaan?"

„Ja zeker, vader, heel veel, maar ik zou nu graag weer van huis gaan."

„En kom je daarvoor bij mij ? Maak dat met mama uit."

„Och nee, u begrijpt me niet," en fluisterend, hare lippen vlak bij haar vaders gezicht: „ik ben nog niet weer heelemaal als vroeger,"

„Niet, kindje? Kan ik je dan helpen 't te worden?" vroeg hij, geheel denkend aan haar nu.

„Ja; als u me helpt hier vandaan te komen."'

„Hier vandaan? Wou je voor goed weggaan?"

Er was iets heel droevig-berustends in zijn toon, dat Willy zeer deed.

„Nee, niet voor goed," zei ze haastig, „maar toch voor een tijd, tot ik weer gewoon ben geworden. U vindt 't immers goed ?"

„Zeker, kind, maar ik zal je erg missen. Waar wou je heen gaan?"

„Dat weet ik juist niet, en u moet me helpen om 't te bedenken."

En levendig, opgewonden door haar verlangen naar verandering r „Ik wil niet gewoon uit logeeren gaan, ik wil iets gaan uitvoeren, me nuttig maken,

Sluiten