Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was vreemd voor haar, alleen aan te komen in een bijna onbekende stad; 't gaf een gevoel van verlatenheid ... Daar zag ze den heer Dryfel, ze herinnerde zich in eens duidelijk weer de lange gestalte, het breede gezicht met de doordringende blauwe oogen onder het bijzonder hooge voorhoofd.

Ze ging naar hem toe, hij zag haar nu ook.

„Dag Willy," zei hij heel hartelijk, haar de hand toestekend. „Ik ben blij, dat we elkaar gevonden nebben; kijk, ik had je portret in mijn hand."

Willy lachte: ze voelde zich dadelijk warm worden door zijne begroeting, waar niets stijfs in was.

„Hier zijn onze jongens ook," hernam de heer Dryfel, te midden van de volte voorstellend; „Gerard, Frans en Louis, thuis zullen we beter kennis maken."

De jongens begroetten Willy, Gerard, de oudste, even kleurend, een beetje verlegen voor Willy's mooiheid. Hij geleek sprekend op zijn vader, de uitdrukking van zijn gezicht wat ernstig voor zijn zeventien jaar.

Ze waren gauw thuis, onder druk gepraat; mevrouw kwam Willy bij de voordeur tegemoet, kuste haar, en weer kreeg Willy dat prettige gevoel, alsof ze bij oude kennissen kwam.

Marietje kwam ook op haar toeloopen, met uitgestoken handjes: „Dag Willy! dag Willy!"

„Je moogt geen Willy zeggen," zei mevrouw. „Je moet nicht zeggen of tante."

„Hé nee, moes; toe, mag ik Willy zeggen? Dat vind ik zoo prettig."

„Doe jij 't dan maar hoor! Dan ben je mijn kleine vriendinnetje," zei Willy vroolijk.

„O heerlijk! heerlijk!" Marietje danste in de rondte, „zoo'n groote vriendin heb ik nog nooit gehad!"

Sluiten