Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat verlangen was de laatste dagen heel sterk in haar; ook nu voelde ze 't door de aandacht voor hare lectuur heen.

Het was een artikel over „Werkeloozen." De schrijver betoogde, dat niet alleen in de lagere klasse, maar ook in de hoogere, werkeloozen zijn, arme schepsels met genoeg geld om van te leven en overvloed van tijd, dien ze versnipperen aan kinderachtige liefhebberijen, waar niemand iets aan heeft en aan beuzelachtig gepraat, omdat ze niet weten hoe den tijd nuttig te maken. En in hun hart en hoofd komt de verveling, een gevoel van onvoldaanheid met het leven, dat hen telkens doet zoeken naar nieuwe prikkelende verstrooiingen. En dit zijn dan nog de besten; de anderen, die nooit nadenken, worden onverschillig en kleingeestig; bang voor alles, wat hun rustig leventje storen kan. Deze menschen zijn beklagenswaardig, maar tevens hoogst laakbaar, want ze behoeven niet leeg te loopen omdat er geen werk voor hen is; integendeel, om hen heen is overal groot, nuttig werk te vinden, dat ze gemakkelijk aan kunnen vatten als ze maar willen. De maatschappij is vol verkeerdheden, die om verbetering roepen, vol ongelukkigen, die hartverscheurend schreien om hulp en opheffing uit geestelijke of lichamelijke ellende: er is werk voor eiken man en elke vrouw, die gevoel heeft en nadenkt.

Zelfs zij, die arbeiden voor eigen brood, kunnen in hun vrije uren of door hunnen arbeid veel doen, maar zij, die geld hebben en tijd, moeten dat geld en dien tijd ten nutte maken van anderen, door eerst op alle wijzen zichzelven geestelijk en zedelijk te ontwikkelen en dan hunne betere persoonlijkheid ten dienste te stellen van allen die lijden. Als allen dit wilden, behoefde niemand van hen werkeloos te

R. L. 10

Sluiten