Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven; voor hen allen is meer arbeid te vinden, dan ze af kunnen doen; een denkend mensch, die niets doet voor anderen, moet wanhopig worden onder het gevoel van schuld, dat hem niet los zal laten, voor hij alle gemakzucht en luiheid heeft afgeschud—"

Willy keek op, hare oogen heel donker en groot.

„Ik heb 'dat gevoel gehad van wanhoop omdat ik niets deed. Maar je moet daarvoor eerst wakker geschud worden door.... zelf 't een of ander te ondervinden."

„Daarom is leed niet altijd tot ons nadeel," zei mevrouw zacht, sympathiek meevoelend met Willy's verdriet, dat ze alleen raadde. „We leeren er soms door begrijpen, wat onze taak is."

„Zouden we dat ook niet door geluk kunnen leeren? Geluk hoeft toch juist niet egoïstisch te maken."

„Nee, maar het doet 'ttoch dikwijls."

Willy zweeg weer; er kwamen tranen in hare oogen; 't scheen haar toe, dat het geluk haar goed zou hebben gemaakt, ook veel voelend voor anderen; waarom was dan ook tot haar dadelijk het leed gekomen?

,,'t Leven is toch dikwijls heel hard," zei ze.

„Ja, kind, dat is 't ook, maar in onze jeugd bekijken wij 't gewoonlijk verkeerd. We verwachten, dat het ons schatten zal geven, dat het daarvoor tot ons komt, en dat is zoo niet; 't komt tot ons om te vragen, en wij moeten geven, zooveel we kunnen.

„Maar is dat niet wanhopig droevig? Altijd te moeten geven, tot je niets meer over hebt, en dat terwijl iedereen het leven rijk noemt."

„Van die rijkdommen krijg je eindelijk ook je deel. Als jeveelgegeven hebt, wordt je ten slotte gelukkig."

Willy trok de lippen samen in een gevoel van bitterheid. Wat was dat wreed; als je alles gegeven

Sluiten