Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijl meer en ernstiger na over het leven, dan hij nog ooit gedaan had.

Zijne uiterlijke stemming werd weer beter, hij was niet meer zoo opgewekt als vroeger, maar ernstig-kalm, tegenover zijne moeder heel zacht nu en dan, als hij in zich een week verlangen voelde naar Willy. Want zijne liefde voor haar bleet dezelfde, ontwaakte nu weer krachtig; hij dacht aan haar met teeder medelijden en ook met bewondering, omdat hij wist door haar zoo veranderd te zijn. En vaag in hem was ook altijd nog de hoop, dat zij hem tot zich zou roepen; hij kon die hoop niet opgeven: ze sterkte hem in het verlangen, zijn leven beter te maken, dichter by het hare, dat hij heel mooi en rein zag

Toen hij naar Driel ging, had hij ook het denkbeeld, dat hij haar kon ontmoeten; hij wist door van Voorten, dat ze in Arnhem was; hij kon het verlangen, haar te zien, niet van zich afzetten, oino dagelijks naar Arnhem. En nu hij haar zag, gaf het hem een schok; hij wÜde niemand meer spreken, ging op zijne kamer zitten in Oosterbeek, telkens

Tricht C WÜly'S StrakkC °°9en °P de Zi,ne 's Avonds werd hem Willy's brief gebracht; hij staarde op het adres; was het Willy's hand? Vreemd dat hij dat niet wist; hij had eigenlijk nooit naar schrift gezien. Nog even keek hij, toen haastig openscheurend de enveloppe; als een onbeduidend plekje zwart stonden de weinige woorden op het witte papier: „Ik wou je spreken." Hij las t nog eens en nog eens, niet durvend gelooven aan de heerlijke gedachte, die in hem oprees.

loen in eens gaf hij er zich aan over; het was een jubelen in hem, eene overlegging van geluk.

R.L. 11*

Sluiten