Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de andere jongelui lachten me uit, en namen me mee; re praatten zoo mooi: waarom zou ik de natuur niet volgen? Je weet niet, hoe jongelui elkaar wijs kunnen maken, dat er geen zweem van kwaad in steekt. Ik liet me overtuigen, het voorbeeld lokte, de drang, het onbekende te leeren kennen, liet me niet los.

Op een avond was ik met twee anderen in den Haag; ze namen me ergens mee naar toe om te soupeeren; er waren daar vrouwen die ze kenden; later was ik alleen met een jong meisje, ik kon niet meer denken, geen weerstand bieden, 'twas als een roes . . . .'

Hij sprak 't laatste afgebroken, bijna zonder intonatie; bij voelde Willy's lichaam schokken door snikken, maar ze nam 't hoofd niet weg van zijne

borst. '}^$ï , . T*r

„Maar," vroeg ze, „den anderen dag? Was je toén weer gewoon als eiken dag? Had je niet het gevoel dat er voor altijd iets veranderd was?"

„Nee," zei hij ernstig; „dat gevoel was maar heel vaag, omdat ik zelf 't gewicht niet kende van wat ik gedaan had. En de anderen praatten 't zoo gauw, zoo gemakkelijk weg; ik was immers vrij, aan niemand rekenschap verschuldigd, 't Scheen ook zoo dwaas, dat ik beter wilde zijn dan de anderen, 't Is juist het ongeluk voor de meeste jongelui, dat ze geen overtuiging hebben, omdat die hun niet wordt meegegeven van thuis. Je sprak laatst over Gerard Dryfel; als zijn ouders hem werkelijk eene overtuiging hebben kunnen meegeven van wat goed is en zedelijk, kan die een schat voor hem worden, en hij kan anderen, die weifelen, weer steunen.

Ik begrijp nu zoo goed alles, Wil, wat je gezegd

Sluiten