Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderscheid tusschen de Instellingen van Voorzorg der Oudheid en de tegenwoordige Levensverzekering - Maat schappijen.

genamen eveneens een som van 500 Denaren of /210. . Bij den dood

op het slagveld werd deze som echter niet uitbetaald, waaruit men zien kan, dat ook de vraag der oorlogsverzekering er geene is van recenten datum. Het merkwaardigste in dit geval is echter, dat dit bij overlijden uit te betalen kapitaal niet schijnt beschouwd te zijn als een tegemoetkoming in de begrafeniskosten — hiervoor bestond zelfs bij elk Legioen een afzonderlijke Begrafeniskas —, doch als een uitkeering om de nagelaten betrekkingen uit den nood te helpen, m. a. w. die som had geheel het karakter van de uitkeeringen, die heden ten dage door Levensverzekering-Maatschappijen geschieden.

Sommige schrijvers meenen zelfs, dat aan leden, die vrijwillig uit de vereeniging traden, de betaalde bijdragen geheel of gedeeltelijk teruggegeven werden, mits al al hunne verplichtingen als leden getrouw nagekomen waren. Dat zou al zeer sterk herinneren aan onzen tegenwoord igen afkoop!

Wat cle inkomsten dezer militaire vereenigingen betreft, deze bestonden, behalve uit een naar verhouding zeer hoog entreegeld (zoo wordt de som van 750 Denaren, d. i. +/315 genoemd), waarschijnlijk uit contributiën en vrijwillige bijdragen van de hoogere officieren en veldheeren. Zeker zal in oorlogstijd van den gemaakten buit ook wel eens iets in de kas der vereenigingen zijn terecht gekomen, en het vermoeden ligt voor de hand, dat men in tijden, waarin die kas buitengewoon goed voorzien was, in de te betalen uitkeeringen ook wel eens boven het vastgestelde bedrag gegaan zal zijn.

Men ziet het, dergelijke instellingen vertoonen eenige overeenkomst met onze' tegenwoordige Maatschappijen van Levensverzekering. Men zou echter een grove dwalling begaan, wanneer men ze daarmede gelijk wilde stellen, of zelfs maar wilde beweren, dat de Oudheid reeds instellingen bezat, die op dezelfde basis gegrondvest waren. Hoogstens kan men zeggen, dat ook in de Oudheid reeds de behoefte gevoeld werd, iets te doen voor zijn na te laten familie (m. a. w. dat de idéé der Levensverzekering aanwezig was), en dat die behoefte aanleiding gaf tot het in het leven roepen van inrichtingen, die uit den aard der zaak eenige overeenkomst moeten vertoonen met onze tegenwoordige Instellingen van Voorzorg, juist omdat zij voortsproten uit dezelfde idée.

Dat echter de grondslagen, waarop onze tegenwoordige Levensverzekering-Maatschappijen gevestigd zijn, in de Oudheid volkomen onbekend waren, zal wel nauwelijks betoog behoeven. Immers met den

Sluiten