Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dien wij gewoon zijn ons voor te stellen als een ernstig, zwijgend en stroef man, in gezelschap door zijn geestige zetten en opgewektheid zeer gezocht was, dat de dames buitengewoon ingenomen met hem waren, en dat hij boven velen uitmuntte in.... de edele kunst van het dansen.

Doch genoeg hierover. De benarde toestand van de financiën der Republiek deed De Wüt besluiten tot den lijfrentenverkoop van Staatswege. Dit denkbeeld uitwerken en het vinden van den werkelijk wetenschappelijken grondslag daarvoor was voor hem één.

Aan zijne pogingen om aan den Staat de beschikking te bezorgen over zekere gelden, door de Burgers opgebracht, danken wij de Memorie, die hij in het jaar 1671 — dus één jaar vóór zijn tragisch einde — bij de Staten van Holland indiende, en die door hem betiteld werd: „Waardije van Lijfrenten naar proportie van Losrenten". Hij koos, tot hét bereiken van zijn doel, wel het aloude middel van den lijfrentenverkoop, doch had geen vrede met de tot dusverre gevolgde gewoonte om de grootte der lijfrente door een slag in den blinde te bepalen. Zeer goed begreep hij, dat deze grootte samenhing met den duur van het menschelijk leven. Hij ging daarom uit van levenskansen, door hemzelven berekend, en leidde daaruit af een gemiddeld cijfer voor de waarde van een lijfrente op het menschelijk leven. Daarmede legde hij den grondslag tot de nieuwere Wetenschap der Levensverzekering.

Het spreekt van zelf, dat de waarnemingen, waarop zijne berekeningen gebaseerd waren, verre van nauwkeurig konden zijn. Hij heeft die opgeteekend gevonden in de zoogenaamde „Blaffaerden" — d. i. de lijfrente-registers — der Staten, die, zooals hij zelf verklaart, aanteekeningen inhielden omtrent het afsterven van vele duizenden personen. De Wüt nam, zich grondende op die aanteekeningen, aan, dat de levenskans in elk half jaar voor elk mensch tusschen de 4 en 54 jaren dezelfde is, en stelt die gelijk één. Diezelfde kans voor menschen tusschen 54 en 64 jaren stelt hij op 2/3) die voor menschen tusschen 64 en en 74 op Y2, die voor menschen tusschen 74 en 81 op %. Met personen, ouder dan 81, houdt hij geen rekening meer. Zich grondende op deze zeer zeker gebrekkige gegevens, komt De Wüt dan tot de zonder twijfel ook gebrekkige conclusie — hijzelf erkent het gebrekkige daarvan —, dat een jaarlijksche lijfrente van / 1.— op het leven van een jeugdig persoon/16.— waard is. De groote beteekenis, die aan zijn werk moet worden toegekend, ligt dan ook niet in de nauwkeurigheid der verkregen resultaten, maar wel in de logische en volledige behandeling, en vooral

Sluiten