Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontwikkeling inds 1880.

2°. Het feit, dat twee Koninklijke Besluiten van 1830 en 1833 aan ie Nederlandsche Maatschappijen banden aanlegden, die ze in haar ducht tegenhielden. Zoo werden zij op grond van die Besluiten door :ie Regeering gedwongen verouderde sterftetafels te gebruiken, waar:loor hare tarieven de concurrentie met buitenlandsche Maatschappijen tiet konden volhouden, en vele harer ertoe kwamen, zich meer op het buiten van kleinere verzekeringen toe te leggen, het gebied dat door sen ontzaglijk aantal meer of minder solide Begrafenisfondsen reeds met vrij veel succes bewerkt werd, en waarop geene buitenlanasche Maatschappijen concurreerden.

3°. De omstandigheid, dat dezelfde Regeering, die het den Nederlandschen ondernemingen belette, zich met de buitenlanders te meten, het dien buitenlandschen ondernemingen toestand, zich zonder eenige plichtpleging in ons land te vestigen en het terrein voor zich alleen in beslag te nemen. Van deze periode dagteekent dan ook de meening van het Nederlandsche publiek, dat buitenlandsche Maatschappijen boven de binnenlandsche te verkiezen zijn en dat buitenlandsche meer kunnen en willen geven dan binnenlandsche. Hoewel door latere gebeurtenissen veel gewijzigd, bestaat die opinie tot op den huidigen dag bij velen vort, waartoe de in ons vaderland zoo geprononceerd aan den dag tredende voorliefde voor al wat buitenlandsch is, zeker ook wel het hare zal bijdragen.

Eerst in het jaar 1880 werd door een uitspraak van den Hoogen Raad der Nederlanden aan de bovengenoemde Koninklijke Besluiten alle rechtskracht ontzegd, omdat zij een materie regelden, die slechts door een wet geregeld mocht worden. Van toen af werd een normale ontwikkeling mogelijk, en viel een gestadige, snelle vooruitgang waar te nemen bij alle Nederlandsche Levensverzekering-Maatschappijen. Sommige harer hebben Succursalen in het buitenland gevestigd en zijn daar een vreedzamen strijd begonnen tegen dezelfde Maatschappijen, tegenover welke zij vroeger in ons eigen vaderland machteloos stonden. De Nederlandsche Maatschappijen behoeven thans niet meer voor de buitenlandsche onder te doen.

Het aantal Nederlandsche Levensverzekering-Maatschappijen kan men op ongeveer 90 stellen: Alleen in de periode van 1895 tot 1905 werden er niet minder dan 40 opgericht. De vraag rijst onwillekeurig of dit „des Guten nicht zu viel" was. In verhouding tot onze bevolking is het aantal feitelijk te groot. Verscheidene harer moeten zeer klein van

3

Sluiten