Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uub uc v.uuidiue waarue van cie uitKeenngen, die zij in de toekomst te doen heeft, verminderd met de contante waarde der nog te ontvangen premiën. Met andere woorden : Zij vertegenwoordigt een schuld van de Maatschappij en komt dientengevolge ook voor aan de passief(crèdit)zijde van de balans.

Er wordt veel verwarring gesticht, doordat men de dekkingsmiddelen, die tegenover dezen passief-post staan, ook dikwijls „reserve" noemt. De uitdrukking: eene Maatschappij bezit eene reserve van zóó en zóóveel, heeft burgerrecht verkregen. Beter ware het, in dit geval te spreken van reserve-fonds of liquidatie-fonds.

Het reserve-fonds komt voor aan de actief(debet)-zijde van de balans. Het wordt daarop öf afzonderlijk geplaatst (d. w. z. de beleggingen, waaruit het bestaat, worden uitdrukkelijk opgegeven als behoorende tot het reserve-fonds), öf het is begrepen in en verdeeld over de verschillende actief-posten, die aan de debet-zijde van de balans voorkomen.

„Pour acquit de conscience" wil ik hier even aanstippen, dat wij aan . Amerika de uitvinding danken der z.g. Assessment-Maatschappijen, die meenen het zonder premiereserve en reserve-fonds te kunnen doen. Zij zijn daarop gebaseerd, dat de premiën telkens voor een kort tijdvak, b.v. één jaar, berekend worden en de verzekerde voorloopig niet meer behoeft te betalen. De premie voor iemand van 30 jaren wordt derhalve zóódanig berekend, alsof hij een verzekering bij overlijden sloot, die evenwel slechts gedurende één jaar van kracht blijft. De kans, dat hij in dat ééne jaar overlijden zal, is natuurlijk gering, en dus kan de premie ook laag zijn. Deze premie nu zou, streng genomen, onmiddellijk het volgende jaar verhoogd moeten worden, omdat de sterftekans van 31 op 32 jaar grooter is dan van 30 op 31. Er wordt dan ook bedongen, dat de premiën verhoogd kunnen worden — vandaar dat de reserve onnoodig is! Men zou het ook zóó kunnen uitdrukken, dat de Maatschappij de verzekerden zeiven hun reserve laat bewaren. Het ongeluk is maar, dat niemand zulks werkelijk doet, ja zelfs dat nauwelijks iemand begrijpt, dat daartoe de noodzakelijkheid bestaat. De verhooging der premiën blijft soms eenige jaren uit, zoo daartoe geen onmiddellijke noodzakelijkheid bestaat. Op ééns, na 7 of 8 jaar b.v., komt zij de verzekerden verrassen, en brengt onvermijdelijk het uittreden van vele hunner mèt zich. Na eenigen tijd volgt weer een verhooging — nog meerdere verzekerden treden uit, steeds met verlies van alle betaalde premiën! Het uittreden neemt eindelijk zulke demensiën aan, dat de

Isseasmentiame.

Sluiten