Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot een andere Maatschappij over te gaan; ongezonden zal men daar niet licht toe krijgen, omdat zij vreezen, bij die tweede Maatschappij afgewezen te worden. Derhalve is het zoo goed als zeker, dat van de gezamenlijke gevallen van afkoop het meerendeel betrekking zal hebben op verzekeringen van volkomen gezonde personen, die nog een lang leven zullen blijken voor zich te hebben. Dat wil zeggen: in het meerendeel van de gevallen van afkoop zou de/ Maatschappij een verlies worden toegevoegd. Verzekeringen, waarop zij, wegens het lange leven der verzekerden, winst had kunnen behalen, verdwijnen; andere, die, wegens den spoedigen dood der verzekerden, verlies beloven, blijven daarentegen behouden. Resultaat: verlies.

Dat verlies is niet met wiskundige juistheid te bepalen. Koevele en welke verzekeringen afgekocht zullen worden, dit hangt van allerlei omstandigheden af en is grootendeels afhankelijk van het toeval. Zooveel staat vast, aat, wanneer de Maatschappij het geheele, op elke verzekering gereserveerde bedrag eventueel als afkoopsom uitkeerde, zij zich aan verliezen zoude blootstellen. Ik meen zulks thans voldoende bewezen te hebben. Daarom moet van dat in kas gebleven bedrag een gedeelte worden ingehouden, teneinde die verliezen te dekken. Welk gedeelte? Daar de verliezen niet met zekerheid te bepalen zijn, kan men het tot dekking daarvan benoodigde evenmin nauwkeurig vaststellen. Algemeen heeft men aangenomen: 3/4 of 2/3 van de reserve; enkele nieuwe Maatschappijen bepalen zelfs 4'5. Groote voorzichtigheid is hierbij aan te bevelen, want een opdrijven der afkoopsommen, waartoe men zich door de concurrentie licht zou kunnen laten verleiden, is hoogst gevaarlijk. Daarover meer in het Tiende Hoofdstuk.

Het feit, dat de op een verzekering gemaakte onkosten bij verreweg de meeste Maatschappijen na eenige jaren weer in de kas teruggevloeid zijn, geeft verder aanleiding, de mogelijkheid van afkoop gedurende de eerste drie jaren van het bestaan der verzekering uit te sluiten. De zekerheid, dat de tot een rationeel bedrag gemaakte onkosten in ieder geval uit de premie-ontvangst goedgemaakt zullen worden, behoort men zich toch wel zooveel mogelijk te verschaffen, en daarvoor bestaat geen ander middel. Reeds zagen wij, dat door deze bepaling tevens een bezwaar tegen de berekening der reserve met reserve-premie wordt uit den weg geruimd.

Soms ontmoet men in geschriften of courantenartikeltjes de bewering, dat het afkoopen aan de Levensverzekering-Maatschappijen onder alle

Sluiten