Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. De omstandigheid, dat er, vooral onder den Agentenstmd, elementen schuilen, die terecht tot wantrouwen aanleiding geven.

3°. De pogingen der oneerlijke concurrentie, welke de Agenten van verschillende Maatschappijen ertoe brengt, zóólang op elkander af te geven, dat het publiek ze ten slotte alle wantrouwt.

4°. Het feit, dat eerst in de laatste 50 jaren het bedrijf der Levensverzekering zich ten onzent sterk ontwikkeld heeft.

5°. De verwarring van goede Levensverzekering-Maatschappijen met minder goede Begrafenisfondsen. Rapporten van een Nuts- en een Staatscommissie brachten misbruiken aan den dag, die bij sommige Begrafenisfondsen bestaan — den goeden niet te na gesproken] Die tekortkomingen schrijft het publiek meestal op den kerfstok der Levensverzekering-Maatschappij en.

6°. De slagen, door den wereld-oorlog aan enkele levensverzekeringmaatschappijen — in het bizonder ook aan enkele groote Hollandsche — toegebracht.

t «

III.

In den tegenwoordigen tijd vindt men ook onder het publiek vele voorstanders van Levensverzekering, en hun steun is voor de vakmannen van onberekenbaar nut. Daartegenover staat dan de veel talrijker fractie van hen, die „bezwaren" opperen, en waarmede ik den lezer thans uitnoodig nog wat nader kennis te maken! Agenten zullen er vele oude bekenden onder aantreffen.

Daar heeft men vooreerst den man, „die er alles van weet", „die „het vak op zijn duimpje kent, meneer!" — Deze voortreffelijke man houdt een verhandeling over Levensverzekering, die kant noch wal raakt!

Daar is verder de man, die botweg zegt: „Ik weet er niets van, en >,ik wil er ook niets van weten!"'— meestal een dom, niet altijd'een beleefd persoon!

Voorts de bewonderaar van Levensverzekering — doch die slechts ;en platonische bewondering koestert. Voor anderen: best! Voor zichzelven: onnoodig!

'an allerlei leelijks En toch, indien hij in den tijd, dien hij thans weifelend heeft doorebracht, gestorven ware, had de Maatschappij moeten uitbetalenl Even stellig, als hij ans beweert, dat de Maatschappij op zijn post geen risico meer liep, zou de begunstigde «n volgehouden hebben — en terecht —, dat zij zulks wèl deed.

10* . .

Sluiten