Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot een betrouwbare statistiek te geraken, de hoofdreden daarvoor is. Die reden is het, waarom de Maatschappijen zoo moeielijk van hun verlangen afstand kunnen doen.1)

Hoe onwaar het is, dat de verklaring alleen verlangd wordt "„om „het welslagen van de een of andere finantieele onderneming te verzekeren" (dit is een steriotype uitdrukking, die ik dikwijls aantrof) — behoeft na het bovenstaande geen betoog meer.

Even vast als de Maatschappijen van Levensverzekering aan hun opvattingen in deze vasthouden, even' vast blijven sommige doctoren op het standpunt staan, dat eer en geweten hen beletten de verklaring af te geven.

Vroeger werd, ter verdediging van deze opvatting, steeds een beroep gedaan op den eed, door den medicus bij het aanvaarden van zijn ambt afgelegd. De woorden van dien eed, op het hier behandelde onderwerp betrekking hebbende, luiden aldus: „.... dat ik aan niemand „zal openbaren, wat in die uitoefening als geheim mij is toevertrouwd „of ter mijner kennis is gekomen, tenzij..." enz. Hieruit heeft men nu, door het te beschouwen alsof de woorden „als geheim" niet behoorden bij: „ter mijner kennis is gekomen", de in de practijk onhoudbare stelling afgeleid, dat de geneesheer over alles, wat in zijn practijk te zijner kennis komt, een absoluut stilzwijgen moet bewaren. Noch uit een taalkundig, noch uit een juridisch oogpunt, nog minder echter uit het oogpunt van gezond verstand beschouwd, is deze stelling verdedigbaar.

Deze opvatting van den eed is dan ook een overwonnen standpunt. Zelfs zij, die zich vroeger de grootste moeite gaven, uit de aangehaalde woorden dit zoogenaamde „secret absolu" af te leiden, verklaren thans, dat die woorden geen beletsel vormen voor het afgeven der verklaring betreffende de doodsoorzaak. Maar — zeggen ze — de verplichting tot het bewaren van ons beroepsgeheim, die ook zonder eed bestaat, vormt

Do eed van-dei1 geneesheer beletsel voor he* afgeven van <*fl verklaring om' trent de doods' oorzaak.

i

Geneeaku»0''

*) In onze dagen van vinnige concurrentie is hier en daar uit het meeningsverschil omtrent de verklaring bij overlijden een concurrentie-middel gemaakt! De Maatschappijen, die dit middel gebruiken, verkondigen dan, dat zij voor de verzekerden zoo bizonder verkieslijk zijn, omdat zij die verklaring niet verlangen en, zonder die te ontvangen, uitbetalen. In het midden latende, dat ook de maatschappijen, die haar wèl verlangen, zoo goed als nimmer gebruik maken van haar recht niet uit te betalen, zoo zij ontbreekt, moet mij de opmerking van het hart, dat deze onvoorwaardelijke concessie strijdt tegen de belangen van het verzekeringsbedrijf, van de geneeskunde en van het publiek.

Sluiten