Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van toepassing zouden zijn, en, op beide toegepast, zeker één van beide in haar ontwikkeling belemmeren zouden.

Na al het voorafgaande behoeft dit niet meer in den breede te worden aangetoond, en zal ik met enkele aanduidingen kunnen volstaan.

Terwijl een Wet op Levensverzekering-Maatschappijen rekening moet houden met de omstandigheid, dat deze inrichtingen zich bezig houden met het afsluiten van alle mogelijke verzekeringscombinatiën, die het menschelijk leven ten grondslag hebben, moet een Wet op de Begrafenisfondsen hoofzakelijk rekening houden met de eischen van de eenvoudige verzekering bij overlijden.

Terwijl bepalingen omtrent verzekering op het hoofd van kinderen in een Wet op Begrafenisfondsen niet mogen ontbreken, zouden zij in een Wet op Levensverzekering-Maatschappijen ten eenen male misplaatst zijn, omdat deze dergelijke postjes in het geheel niet afsluiten.

In verband met de eigenaardigheden van beide instellingen zouden de wettelijke bepalingen omtrent den afkoop, omtrent de bevoegdheid van Agenten, omtrent de toestemming van personen, op wier hoofd door anderen verzekeringen worden gesloten, enz. geheel anders moeten zijn —, altijd aangenomen de wenschelijkheid, al die onderwerpen dwingend bij de Wet te regelen.

Omtrent dit laatste is men het nog lang niet eens, en, althans voor Levensverzekering-Maatschappijen, achten velen het direct ingrijpen van den Wetgever in het innerlijk beheer verderfelijk. De gronden, waarop die meening rust, hoop ik in mijn volgend Hoofdstuk uiteen te zetten; hier stip ik deze opvatting slechts terloops aan.

Één zaak zou, speciaal in ons land, aanleiding kunnen geven tot twijfel omtrent de wenschelijkheid van een afzonderlijke Wet voor Begrafenisfondsen en Levensverzekering-Maatschappijen, en wel de omstandigheid, dat zoovelè inrichtingen tegelijkertijd de beide bedrijven uitoefenen. Ware daarom een gemeenschappelijke Wet niet misschien evenzeer wenschelijk? Naar mijn inzien zeer zeker niet, want een wèl-ingerichte Maatschappij zal deze twee takken van haar bedrijf gesplitst houden, daar elk dezer zijne eigenaardige eischen heeft. Practische bezwaren, die twee afzonderlijke af deelingen eener zelfde Maatschappij aan een verschillende wettelijke regeling te onderwerpen, bestaan er niet. Het beste bewijs daarvoor vinden wij in Engeland, waar nagenoeg in dit opzicht dezelfde toestand bestaat als ten onzent (immers de „Friendly Societies", „Industrial Societies" en andere

Sluiten