Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit te gaan van den stelregel: „La compagnie paie", en dus de verzekerden door dik en dun te bevoordeelen, ook al wordt daardoor een onrechtvaardigheid tegenover de Maatschappijen begaan.

Intusschen, er zijn Staten, die minder gulzig zijn op het punt van Levensverzekering, en zich beperken tot een controle, die tenminste niet met de allereerste begrippen van billijkheid of met de meest elementaire eischen van het gezond verstand in strijd is. De punten, waarop zich dit toezicht richt, zijn hoofdzakelijk de volgende:

1°. De reserveberekening. De wijze, waarop deze geschieden moet, wordt nauwkeurig voorgeschreven, en de Regeeringsambtenaar'belast met het toezicht, dat die wijze ook werkelijk gevolgd wordt. In Amerika gaat men zelfs zóóver, dat de Ambtenaar de reserveberekening zelf verricht. Vroeger ging het in Zwitserland nog radicaler toe, waar men eischte, dat elke daar werkende buitenlandsche Maatschappij haar geheele reserve berekende naar het voorschrift der Zwitsersche Ambtenaren, dus niet alleen de reserve der in Zwitserland loopende contracten, maar die der geheele Maatschappij. In Duitschland stelt men nog thans dienzelfden eisch. Het zou er vreemd uitzien, als elke Regeering hetzelfde deed!

2°. De geldbelegging. Ook dit is een terrein, waarop de Regeeringen meenen een oogje te moeten houden. Soms geven zij bepaalde soorten van geldbelegging aan, buiten welke^geen Maatschappij hare bezittingen productief mag maken, en het is alweer het traditioneele land der vrijheid, Amerika, dat in dit opzicht de vrijheid bizonder sterk beperkt. Degelden der Levensverzekering-Maatschappijen mogen daar slechts in zekere gespecificeerde waarden belegd worden, hypotheken mogen slechts verleend worden tot op een zeker percent der verzekerde waarde van het onderpand, enz. De Duitsche Regeering heeft vóór den oorlog uit het toezicht op de geldbeleggingen een middel willen maken ter opdrijving van den koers der Staatspapieren, door buitenlandsche Maatschappijen te dwingen een deel harer reserve in weinig rente-gevende Pruisische consols te beleggen, iets, dat zeer zeker noch in het voordeel van de verzekerden, noch in het voordeel der Maatschappijen is. „De Staat" is op het punt van geldbeleggingen lang niet altijd onbevooroordeeld. Wat zou men ervan zeggen, wanneer men in Columbia of Venezuela de Levensverzekering-Maatschappijen eens verplichten ging, hare gelden in de Staatsfondsen dier landen te beleggen?!1)

l) Zeer bizonder is deze zijde van het vraagstuk op den voorgrond getreden gedurende den grooten oorlog. Er is toen door verschillende Europeesche Regeeringen, die door hun

Sluiten