Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oevoel van gerustheid, door staatstoezicht «ekweekt.

buitenlandsche Maatschappij het recht moet gegeven worden die Maatschappij, in haar geheel, niet alleen te verbinden in verzekeringszaken, maar in alle mogelijke transactiën. Zelfstandig zou hij huizen of effecten kunnen koopen en verkoopen, hypotheken nemen en geven, enz., ook zoo de Hoofddirectie zelve voor dat alles de medewerking van Commissarissen behoeft. Feitelijk wordt aan hèm alleen daardoor de macht toegekend, de geheele Maatschappij met één pennestreek te ruïneeren.

Het is wèl merkwaardig, dat — terwijl buitenlandsche en ook Hollandsche Maatschappijen in Duitschland op alle mogelijke manieren „gemassregelt" worden — men in Nederland, wel verre van de nationale instellingen in hun moeielijken strijd te steunen, indertijd in de Afdeehngen der Kamer den lof der Duitsche Wet zong! . . . Het gros onzer Volksvertegenwoordigers was blijkbaar onbekend met de in dit Hoofdstuk behandelde stof en de werking van Staatscontrole in het buitenland.

Niettegenstaande al het medegedeelde wekt het bewustzijn, dat de Staat waakt, bij velen een gevoel van gerustheid. Men zal zich onwillekeurig op die waakzaamheid verlaten, en aan de mogelijkheid van een gebrekkig, of liever aan de onmogelijkheid van een afdoende controle, wordt nauwelijks gedacht. Daarom wordt het minder noodig geoordeeld, zelf te onderzoeken en zelf zooveel mogelijk controle te oefenen. De Staat immers heeft zich daarmede belast; wat beteekent dan nog dat eigen toezicht! Zoo redeneert men, en slaapt een zoeten slaap, waaruit men, zooals ik reeds zooeven aantoonde, vaak zeer onzacht wordt wakker geschud. Hóe volkomen gegrond is dan het verwijt, dat de verzekerde tot den Staat richt: „Waarom hebt ge mij niet gewaarschuwd? „Waarom hebt ge mij in den waan gelaten, dat ik aan die Maatschappij „met gerustheid mijn geld kon toevertrouwen?!" — Maar nóg meer reden zou hij hebben tot deze verzuchting: „Waarom heb ik blindelings „op den Staat vertrouwd? Waarom heb ik niet uit eigen oogen gezien?!" Zóó diep denkt hij echter zelden door.

Wanneer het n.1. eenmaal tot een ramp gekomen is, leeft het wantrouwen óp, en intensiever dan ooit te voren. Men leeft dan in een onbestemde vrees voor verdere rampen, maar de zenuwachtige stemming vindt uiting in geroep om scherper toezicht, in plaats van in den wensch om zélf te onderzoeken. Het volledige vertrouwen keert echter, ook bij die verscherping, slechts zelden terug. En daaruit laat het zich verklaren, dat in vele Staten, waar Staatstoezicht reeds lang bestaat, het wan-

15

Sluiten