Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„publiek, door schade en schande wijs geworden, de Directiën dwingen „zal, een anderen weg in te slaan."

Men ziet, dat ik niet overdreven heb. Zeer vele Maatschappijen hebben werkelijk hare onkosten tot aan de uiterst geoorloofde grens opgevoerd, en zij zouden nóg verder gaan, wanneer die grens wat ruimer gesteld of opgeheven werd. Kolonel Greene put daaruit een argument vóór het behoud van het Staatstoezicht in Amerika; hij betoogt dus — en te recht — dat het gevaarlijk kan zijn, het Staatstoezicht op te heffen, wanneer dat eenmaal bestaat. Hieruit volgt volstrekt niet, dat het wenschelijk is, Staatstoezicht in te voeren, wanneer het nog niet bestaatl Integendeel, de zucht van de Maatschappijen om zich tevreden te stellen met den officieelen maatstaf van soliditeit, pleit tegen die invoering, omdat zij het toenemen van de waarborgen der Maatschappijen, in verhouding tot hare verplichtingen, tegenhoudt. Vele Bestuurders zouden het na die invoering voldoende achten, wanneer zij aan de eischen van het Staatstoezicht voldaan hadden; meer te doen zou hun overbodig schijnen.

Geheel anders is dit, wanneer het Staatstoezicht niet bestaat, en dus ook een vaste maatstaf van soliditeit onbekend is. Alsdan zullen de Bestuurders elke uitgave meer wikken en wegen, zij zullen in veel sterker mate het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid hebben, zij zullen dientengevolge alles aanwenden, om de waarborgen der Maatschappij voor de richtige nakoming harer verplichtingen te vermeerderen, en dus haar finantieele positie voortdurend te verbeteren. Dan zal die concurrentie ontstaan, welke zich beweegt op het gebied van de den verzekerden te bieden waarborgen, en die niet anders dan de heilzaamste gevolgen hebben kan, zoo voor de Maatschappijen als voor het publiek. Die concurrentie zou door de invoering van Staatstoezicht zeer zeker verslappen, zoo niet ververdwijnen.

Ook waar het betreft de geldbeleggingen kan het Staatstoezicht somtijds leiden tot verslapping van het gevoel van verantwoordelijkheid bij de Bestuurders der Maatschappijen. George King, reeds vroeger door mij genoemd, zegt daaromtrent:

„Zoolang de voorschriften, bij de Wet vastgesteld, niet overtreden „worden, zullen de Directeuren zich vrij van elke blaam achten, en verruimen, elke geldbelegging, die zich voordoet, nauwkeurig en zorgvuldig te onderzoeken, wat toch volstrekt noodzakelijk is, zoowel met „het oog op de soliditeit als voor het maken van een rationeele winst."

Verder zullen, wanneer (zooals in sommige landen geschiedt) de Staat

Invloed van B6' Staatstoezicht <*! de geldbelegg>°' gen.

Sluiten