Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Levensverzekering-Maatschappijen. Maar daar, waar verschillende Begrafenisfondsen te niet gingen, gaat het niet aan, die tekortkomingen op den kerfstok der Levensverzekering-Maatschappijen te schrijven, alleen omdat deze soortgelijke inrichtingen zijn.

Het is hier de plaats om een enkel woord te zeggen over de Wetsontwerpen ter regeling van het bedrijf, waarvan op blz. 37 reeds sprake was.

Het ontwerp der eerste Staatscommissie, dat van 1883 dateert, was geheel geschoeid op Engelsch model en zou — tot Wet geworden — onberekenbaar veel goeds hebben kunnen doen. Wegens ondoorgrondelijke redenen werd het ad acta gelegd; en later, toen de behoefte aan wettelijke regeling zich meer en meer gevoelen deed, scheen het wel, alsof men opzettelijk vergat, dat er in dit opzicht reeds zoo veel en zoo goed werk verricht was.

In 1897 werd door een tweede Staatscommissie het ontwerp ingediend van een Wet ter regeling van het Bedrijf der Levensverzekering. Dit ontwerp was geheel doortrokken met de beginselen van hen, die bij Staatstoezicht zweren; het ademde een onvervalscht Pruisischen geest.1) Aan een Commissie van 5 personen werd het toezicht op de Maatschappijen toevertrouwd, mèt alle middelen om hare inzichten dóór te drijven, ook tegen den wil der verantwoordelijke Directiën. De leden der Commissie hadden het recht, inzage van alle boeken en bescheiden te nemen. Zelfs de geëmploieerden ten kantore der Maatschappijen werden verplicht tot het afleggen van getuigenis, zoo de Directiën die niet goedschiks geven mochten. Met keur van straffen werd gedreigd — dikwijls tegen overtredingen, die in de practijk onmogelijk te vermijden zouden geweest zijn. De ontwerpers gaven herhaaldelijk blijk, met de fractijkvanhet vak niet vertrouwd te zijn, en hadden het niet der moeite waard gevonden, zich door mannen van de practijk te laten voorlichten. Reeds door het enkele feit, dat de controleerende Commissie een onderzoek bij de Rechtbank aanhangig maakte, zou een Maatschappij gecompromiteerd zijn geweest. Vergeten wij niet, dat het aanvragen van een officieel onderzoek door Staatsambtenaren op het publiek een veel

*) Het is hoogst merkwaardig, dat men op wetgevend gebied zoo dikwijls het oog richt op de Wetten onzer oostelijke naburen, teneinde een navolgens-waardig voorbeeld te vinden. En toch zijn er nauwelijks twee landen te vinden, waar de opvatting omtrent de verhouding tusschen regeerders en geregeerden zóózeer verschilt als in Duitschland en Nederland.

Do Nerlandsclie Wetsont- . werpen.

Sluiten