Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

recht voor den begunstigde tot een onherroepelijk maakt, dat hem door den verzekeringnemer niet meer ontnomen kan worden. Genoeg zij het te vermelden, dat Art. 1353 van ons Burgerlijk Wetboek een bepaling bevat, die hierop neerkomt, dat, zoo men een overeenkomst aangaat, waardoor men wel zelf gebonden, maar waarin tevens een voordeel voor een derde bedongen wordt, men dat beding niet meer herroepen kan, zoodra het bedoelde voordeel door dien derde is aangenomen. Wanneer men dus als verzekeringnemer ten behoeve van een bepaald persoon optreedt, en deze accepteert uitdrukkelijk het hem in de toekomst verzekerde voordeel, dan kan men dat niet meer herroepen.

Het is zeer de vraag, of deze conclusie, die niettemin volgens onze Wet zonder twijfel juist is, wel in de bedoeling van den Wetgever gelegen heeft. Zooals gewoonlijk, zal hij bij het vaststellen van Art. 1353 B. W. in het geheel niet aan het contract van Levensverzekering gedacht, en de toepasselijkheid van het artikel op onze materie niet vermoed hebben. Inderdaad brengt het consequent doorvoeren van den regel: — Zoo de begunstigde, op welke wijze ook uitdrukkelijk aangenomen heeft, wordt zijn recht onherroepelijk —, groote moeilijkheden met zich, die gevaarlijk kunnen worden zoowel voor Maatschappijen als voor Publiek. Een voorbeeld daarvan is gemakkelijk te geven.

A, verzekeringnemer, heeft door in-de-plaats-stelling B tot begunstigde zijner polis gemaakt. Oorspronkelijk echter stond C in de polis als begunstigde vermeld. A overlijdt en het verzekerde bedrag wordt uitbetaald aan B. Daar verschijnt op zekeren dag C ten kantore der Maatschappij. „Vóórdat B tot begunstigde gemaakt werd, had ik het „mij verzekerde voordeel reeds aangenomen", dus spreekt hij, en toont ten bewijze een brief, vóór dat tijdstip door hem aan den verzekeringnemer gericht, waarin hij werkelijk een categorische verklaring omtrent dat aannemen aflegt. „Ge ziet dus wel, dat ik de eenige gerech„tigde op de uitkeering ben, want de verzekeringnemer had het recht „niet meer, een anderen begunstigde aan te wijzen, en de in-de-plaats„stelling was nietig." — Moet Art. 1353 in al zijne consequentiën worden toegepast, dan is tegen die redeneering niets iri het midden te brengen. De Maatschappij moet dan ten tweede male betalen, en zal trachten haar schade te verhalen op B, die de uitbetaling reeds genoten heeft. Toch zijn zij beiden aan de zaak geheel onschuldig, ja hadden zich volstrekt niet kunnen vrijwaren tegen de schade, die zij thans wellicht

Sluiten