Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beiden te lijden hebben. Hoe toch zou hun van het bestaan van dien brief iets bekend geweest zijn?

De gewoonte heeft dan ook in dit opzicht reeds lang andere regels ingevoerd, welke echter een bevestiging door wettelijke voorschriften nog steeds wachtende zijn!

Sinds lang erkennen de Maatschappijen de bevoegdheid van den verzekeringnemer, den begunstigde door een ander te vervangen, in alle gevallen, waarin haar het verlies van die bevoegdheid niet uitdrukkelijk gebleken is, waarin dus het aannemen van het recht op de toekomstige uitkeering haar niet bekend zijn kon. Zoo de begunstigde de polis in zijn bezit heeft, zoo hij een verklaring van in-de-plaatsstelling (z.g. endossement) te zijnen behoeve mede onderteekend heeft, zoo (in het algemeen) uit de polis zelve blijken kan, dat het toekomstige voordeel is aangenomen, en de polis, ter kennisname van de daarop betrekking hebbende aanteekening, aan de Maatschappij is overgelegd, — in al deze gevallen verliest de verzekeringnemer het recht van in-de-plaats-stelling. Een eenvoudige kennisgeving aan den verzekeringnemer van het aannemen, buiten de polis en buiten de Maatschappij om, is daartoe niet voldoende. Wilde men het anders, geen in-de-plaats-stelling zoude ooit mogelijk zijn, omdat de Maatschappij nooit zou kunnen weten, of misschien de' oorspronkelijk begunstigde niet, buiten haar om, aangenomen heeft. Bovendien, tot welke zonderlinge consequentiën zou zulk een systeem leiden! Een vader, die zijn zoon op zijn 23e jaar een kapitaaltje verzekerd had, zou, wanneer die zoon, meerderjarig geworden, hem een briefje schreef met de woorden: „Ik neem het mij verzekerde voordeeltje aan!", het recht verliezen, over dat kapitaal anders te beschikken, hoewel hij nimmer blijk gegeven heeft, dat hij zijnen zoon een onherroepelijk recht daarop wilde toekennen, noch door hem de polis ter hand te stellen, noch door haar aan hem te „endosseeren"! De onherroepelijkheid van het recht van den begunstigde is daarom alleen gewenscht, opdat de begunstigde in de polis een betrouwbaar onderpand voor een aan hem bestaande schuld van den verzekeringnemer moge hebben. In dat geval vergt men toch niet te veel, wanneer men verlangt, dat van zijn aannemen van het recht op de toekomstige uitkeering blijke, doordat hij de polis onder zich heeft of het endossement mede teekent!

Wanneer wij dus in Nederland mettertijd eens een bruikbare Wet zullen krijgen, die de rechtsverhoudingen, welke het contract van levens-

Sluiten