Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in kas te hebben dan een ander, die dezelfde som te betalen heeft, doch reeds over enkele jaren. Juist zoo is het bij de Levensverzekering-Maatschappijen; hetzelfde verzekerde kapitaal vertegenwoordigt bij een oude Maatschappij een veel grootere tegenwoordige verplichting dan bij een jonge, omdat het bij de laatste veel langer duren zal, voordat de verzekerde sommen opeischbaar worden. De reserve der jonge Maatschappij kan dus minder hoog zijn dan die der oude. Ik geloof dat het overbodig is, daarover nog meer woorden te verliezen.

Afgescheiden van de kwestie van den ouderdom der Maatschappijen, zijn er nog andere omstandigheden, die zeer sterk influenceeren op de grootte der reserve, en dat wel in de eerste plaats: de aard der afgesloten verzekeringen. Een eenvoudig voorbeeld zal dit duidelijk maken. Denken wij ons twee Maatschappijen, beiden 10 jaren oud, waarvan de eene uitsluitend verzekeringen naar het gewone tarief bij overlijden, de andere uitsluitend gemengde verzekeringen, die b.v. na 10 jaren of nog vroeger opeischbaar zullen worden, heeft loopen. Bij die laatste staat het dan vast, dat na 10 jaren alle op het oogenblik verzekerde kapitalen moeten zijn uitbetaald; bij de eerste echter zullen na 10 jaren slechts die thans bestaande verzekeringen tot uitkeering gekomen zijn, waarvan de verzekerden vóór dien tijd zijn overleden; van alle andere duurt de premiebetaling voort! Het spreekt dus van zelf, dat, bij gelijke hoogte van het verzekerde bedrag, de reserve der eerste Maatschappij minder hoog zijn moet dan die der tweede.

Evenzoo zal het sluiten van verzekeringen, waarvan de premie in ééns wordt afbetaald, steeds de reserve met een grooter bedrag doen toenemen dan het sluiten van verzekeringen tot een even groot bedrag, waarvan de premiën jaarlijks of halfjaarlijks binnenkomen.

Het is dus volkomen onmogelijk, uit de enkele mededeeling van het bedrag der reserve en van het verzekerde kapitaal eenige juiste gevolgtrekking te maken omtrent den werkelijken toestand eener Maatschappij. Evenzeer moet aan elke vergelijking van den toestand van twee concurreerende Maatschappijen, alleen doormiddel van die- cijfers, alle waarde ontzegd worden.

Over de den verzekerden te bieden waarborgen handelend, zoude ik niet volledig zijn, zoo ik niet nog enkele maatregelen besprak, die evenzeer ertoe strekken kunnen, aan het publiek de zekerheid te verschaffen, dat men met een solide, degelijke instelling te doen heeft,

Verschil'» waarborg»*

Sluiten