Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen nu de Vorsten van de aangrenzende landen vernamen, dat er een nieuwe Koning gekomen was, rustten zij een groot leger uit; want zij hoopten, dat zij zich op den ouden, krijgszuchtigen Koning, die hen zoo vaak wreed getuchtigd had, in zijnen zoon zouden kunnen wreken. Maar zie, op de grenzen van het Rijk kwam Impulsus hun alleen en ongewapend tegemoet rijden. Hij naderde tot op weinige schreden en sprak toen aldus:

„Broeders — want broeders zijn wij —, er zij geen oorlog meer tusschen ons! Vaak hebt ge verlangd mijn Rijk te betreden, maar mijn „vader weigerde U den toegang en stond met getrokken zwaard op „den drempel. Maar ik zeg U: Komt! Mijne landen staan voor U open! „Veel zult ge er zien, waarvan ge nimmer gedroomd hebt, veel zult „ge er bewonderen, veel zult ge er leeren. Maar ook gij zult aan mijne„onderdanen veel brengen en leeren kennen, wat hun onbekend is. „Deelt hun van het Uwe mede, gelijk zij het U van het hunne zullen „doen. Ontbindt Uw legermacht, weest mijne vrienden, en ieder van „Uwe onderdanen, die in mijn Rijk een woonstede zoekt, zal mij wel„kom zijn."

De verbazing onder de Vorsten was groot; maar zij weigerden de hand niet, die Impulsus hun bood, en zij werden vrienden. Toen kwamen er vele mannen uit den vreemde, en vestigden zich in het Rijk van den jongen Koning. En het ging, zooals deze voorspeld had: zij zagen en leerden er veel nieuws; maar zijzelven brachten óók veel mede, dat niemand daar tot dusverre gekend had, en zij onderwezen de bewoners in bedrijven, die deze vroeger niet beoefend hadden. Maar onder de Raadslieden van Impulsus waren er, die zeiden: „Ge handelt onverstandig, o Koning! Ziet ge dan niet, dat die vreemde indringers „van Uw graan en Uw vee leven, en dat zij met hunne ambachten „Uwen onderdanen het brood uit den mond nemen?" Maar de Koning antwoordde: „V/at zij nemen, geven zij tienvoudig terug!" — Slechts wanneer een der vreemdelingen van de hem geboden gastvrijheid misbruik maakte, door de bewoners van het land te belasteren of zijne instellingen te bespotten, trof hem de toorn des Konings zonder genade. Maar dat was niet meer dan billijk, en zelfs de landslieden van den gestrafte moesten dat erkennen.

Zoo verliepen er twintig jaren. Gedurende dien tijd had Koning Quies rustig en in weelde geleefd, te midden van zijn vreedzaam volk, dat door geene vreemde indringers geplaagd werd. En de Koning bleef

22

Sluiten