Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Agent eener Maatschappij naar een goed gesalarieerde betrekking bij een concurreerende Maatschappij solliciteert en deze hem ten deel valt. In zulke omstandigheden zou het al zeer dwaas zijn, er iets ongeoorloofds in te vinden, dat de Agent zijn positie tracht te verbeteren. Wanneer hij gelooft in staat te zijn aan de eischen zijner nieuwe betrekking te voldoen (waarbij hij — zooals vroeger reeds aangetoond1) — wèl overwegen moet, dat mooie conditiën ook mooie resultaten noodzakelijk maken), zal hij aan zijn Directie ruiterlijk kunnen verklaren, dat hij de door hem begeerde positie prefereert boven zijn tegenwoordige. Immers niets had zijn tegenwoordige Directie behoeven te weerhouden, hem dezelfde conditiën toe te staan, indien zij in hem een geschikte kracht daarvoor had gezien.

Zoodra echter de Agent tot het overloopen naar eenzelfde positie bij een andere Maatschappij verleid wordt door verdachtmaking van zijn tegenwoordige of door het opvijzelen van die andere in tegenstelling met die tegenwoordige, heeft men te doen met een ongeoorloofde concurrentie-manoeuvre.

Wie deze verkeerde practijken wenscht tegen te gaan, moet zich alweer in de eerste plaats zelf daarvan onthouden. Dit is een conditio sine qua non, evenals bij het bestrijden van het uitspannen van verzekerden.

Om zich te vrijwaren tegen de gevolgen van het toepassen dier practijken door anderen, kan een Directie niet beter doen dan te trachten, hare Agenten aan zich te binden, door hen, zooveel mogelijk, met de Maatschappij te laten medeleven, geregeld voeling met hen te houden, hen in haar eigen wel en wee te laten deelen, en bovenal door in alle omstandigheden een strikt rechtvaardige houding tegenover hen aan te nemen. Zoo wint zij zich de hoogachting en toegenegenheid harer vertegenwoordigers, en het is reeds meermalen voorgekomen dat deze _ hartelijke gevoelens tegenover zijn Directie bij een Agent sterker bleken dan de verleiding van finantieel zeer gunstige aanbiedingen van andere Maatschappijen. Zulke Agenten zijn mannen, waarop een Directie rekenen kan.

Overigens is er tegen deze wijze van uitspannen weinig te doen. Klachten bij de Directie der concurreerende Maatschappij baten natuurlijk niet, omdat zij zelve juist de schuldige is. Trouwens, geen Maat-

Middelen tege» het uitspanne" van Agenten.

l) Zie blz. 319 v.v.

Sluiten