Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omzet kan onmogelijk zoo aanzienlijk zijn als die der groote buitenlandsche vakbladen; dientengevolge moeten hunne inkomsten geringer zijn en kunnen zij zich niet, gelijk deze, de medewerking van een staf van bedienden verzekeren. De Redacteuren hebben bij het volbrengen van hun taak slechts betrekkelijk weinig hulp, en, hoeveel moeite zij zich ook persoonlijk geven, het dóórwerken van de bergen materieel, dat hunne buitenlandsche collega's slechts doormiddel van talrijke bedienden bewerkstelligen kunnen, is voor hen grootendeels een onmogelijkheid. Zij hebben te worstelen tegen dezelfde omstandigheid, waaronder zoo menig bedrijf bij ons te lande gebukt gaat, tegen de geringe uitgebreidheid van ons vaderland. Des te meer valt het te apprecieeren, dat zij zich niet ertoe laten verleiden, door „unfaire" practijken datgene machtig te worden, wat hun door den natuurlijken gang van zaken niet in zoo ruime mate toevloeien kan. Anderzijds is het niet te verwonderen, dat zij zich niet allen uitsluitend kunnen wijden aan de redactie hunner vakbladen, die in ons kleine land slechts weinig lucratief kan zijn. En toch zagen wij reeds, dat voor een blad, dat zijn taak in haar vollen omvang verrichten wil, de uitsluitende en algeheele toewijding van den Redacteur een vereischte is. Maar ook hier is ten onzent de drang der omstandigheden sterker dan de goede wil van den energieksten' Redacteur en de „medewerking" van de bekwaamste vakmannen.

Mijn oordeel over onze verzekeringsbladen, in het kort samengevat, luidt aldus: Zij geven zooveel zij geven kunnen, en wat zij geven is dikwijls goed, steeds te goeder trouw; maar invloeden, van buiten komende, leggen hun zóódanige beperkingen op, dat zij, ook bij de uiterste krachtinspanning, de taak van groote Verzekeringsbladen niet in haar vollen omvang vervullen kunnen1). Voor wat zij desniettemin geven voegt hun een woord van hulde.

Echter zou, naar mijne meening, bij den tegenwoordige toestand

*) Van geachte zijde is de opmerking gemaakt, dat de Verslagen der Nederlandsche Maatschappijen niet altijd uitvoerig genoeg zijn om den toestand van elk harer zóódanig te leeren kennen, dat de vakbladen dien kunnen critiseeren. Mij dunkt, deze opmerking zelve is reeds critiek, en geen vakblad behoeft de verklaring te schromen, dat, zoolang de Maatschappij A of B zich van mededeelingen op dit öf dat punt onthoudt, een betrouwbare beoordeeling van haar toestand niet te geven is en men daaromtrent in het duister rondtast. Het aanwijzen van wat ontbreekt is óók kritiek, evengoed als het beoordeelen van wat gegeven wordt.

Sluiten