Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevallen bevelen bewegen (zich) besturen, regelen

bidden

binden

blaffen.

blazen

blijven

blusschen

borstelen

braden (in een pan) braden (op 't vuur, in een

oven) braken

branden (verbranden)

(aan)branden

breken (in scherven)

breken

brengen

bijvoegen

bijten

dalen

denken, nadenken denken aan iets; zich

herinneren meenen, veronderstellen dragen (aan een stok over

den schouder) dragen (van kleeding) dragen (in een doek op

de heup), draaien (ronddraaien) drinken droomen

druppelen

beranak. soeroeh. bergerak.

memerintahkan, (perintah

= bevel, last), sembajang. ikat. salak. tijoep. tinggal.

memadamkan. (padam =

gedoofd), sikat (= borstel), gorèng.

bakar.

moentah.

bakar.

hangoes.

pitjah (— stuk, kapot).

poetoes.

bawa.

tambah.

gigit-

toeroen.

pikir.

ingat.

kira. pikoel.

pakai.

gendang (Java).

poetar. minoem.

bermimpi, (mimpi =

droom), bertitik, (titik = druppel).

Sluiten