Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langdurige overpeinzing, verklaarde met de zaak even verlegen te zitten als ik.

Waaruit «zonder voorbarigheid of lichtzinnigheid valt te besluiten, dat de „Inleiding" der eerste 300 het eigenlijke onderwerp finaal heeft uitgeput.

Het eenige, wat me dus nog nuttig lijkt, is zoowel mijn vorige Inleiding als mijn 300 eerste Boekbeoordeelingen te verdedigen tegen enkele aanvallen, waaraan deze hebben blootgestaan.

Ik had verleden jaar o. a. geschreven: „Het duurt eenigen tijd, voordat kinderen bruine boonen met spek kunnen verdragen; roode kool komt, geloof ik, nog later, maar dat weet ik ook niet zeker. ' Met alle gemis aan rechtvaardigheidszin schreef mij daarover iemand, voor wien overigens, naar mijn vaste overtuiging, dit probleem even ingewikkeld is als voor mij: „als U dat niet weet, wat weet U dan wel?!" Dit is mogelijk heel grappig, doch ik vind het niet minder onheusch dan oppervlakkig. Ik begrijp heelemaal niet, waarom ik zulke dingen zou behoeven te weten, en wat uit mijn onkunde op het gebied van kindervoeding voor mijn overige kennis valt af te leiden.

Een ander maakte een opmerking, die juister lijkt.

Zij — het was een Dame, — had ernstige bedenking tegen een richtingwijzer op de Mookerheide, waarop ik in die „Inleiding" als eene mogelijkheid had gezinspeeld; zij oordeelde, dat ik duidelijker had moeten aangeven, hoe ondoelmatig, ja, ongewenscht het zou zijn, zulk een richtingwijzer midden op de Mookerhei te plaatsen, omdat de menschen, die daar komen, er allen heen worden gestuurd, dus allicht het best doen er stilletjes te blijven, en men hen volstrekt niet hoeft op de hoogte te brengen, in welke 24 richtingen zij er vandaan kunnen komen; de schrandere schrijfster voegde toe, dat de maatschappij „er veel meer gebaat mee zou zijn, als „overal richtingwijzers stonden, die duidelijk aangaven, hoe men uit alle „hoeken en gaten van ons vaderland naar de Mookerhei komen kan."

Nog in den allerlaatsten tijd kwam zij op dit practisch en beminnelijk denkbeeld terug met de woorden: „Zulke richtingwijzers moesten, in be„wogen politieke tijden, vooral bij vele vergaderlokalen en club-gebouwen „worden geplaatst en dan moesten de handjes, om de aantrekkelijkheid der „verzending te verhoogen, rood worden geverfd."

Ik kan niet ontkennen, dat ik het denkbeeld vernuftig vind. Ik vrees enkel, dat als de menschen elkander gingen bevechten, met handwijzers naar de Mookerhei voor elkanders deur te plaatsen, geen gemeentelijke verordening bestand zou blijken tegen de verstopping, die daardoor op straat zou ontstaan.

Tegen de eerste 300 Boekbeoordeelingen zelf rezen, zoover ik kon nagaan, iü hoofdzaak twee bezwaren.

Het eerste meer particulier, het tweede meer globaal.

Het eerste, uitgaande van de vriendelijke onderstelling, dat ik het recht

Sluiten