Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo... vreemd ? Waarom was Louis altijd op reis en liet hij zijn vrouw alleen in Den Haag? Dat was toch niet goed, niet natuurlijk; of was ze werkelijk zoo ouderwetsch, dat zij zulk een verhouding niet begreep? — Dat was dan wel heel treurig, meende zij: als ouders zoo van hun kinderen moesten vervreemden ...

Mevrouw Hada rilde. Zij kreeg het te kil. Zij zette haar bril af en zocht met haar stramme vingers bevend over 't tafeltje naar 't brillehuis. Dan bleef ze nog even luisteren naar 't geklapwiek der duiven rondom de til, waarna zij opstond en langzaam 't kamerdonker binnenging.

Boven 't zonnig groen van 't grasveld, dat, als je neerkeek, als een diepe kolk van groene ijlheid verzwemelde onder je duizelenden blik, stond Annie op haar hooge laddertje. Straks had ze nog even aan duizeligheid gedacht en de sporten goed vastgegrepen; nu was ze sinds enkele minuten alles rondom haar vergeten en tuurde door een der poortjes naar binnen in 't rechter bovenhok, waar een doffer zoo vreemd-stil zat, met kleine oogjes, zijn grijze veêren-lichaampje hijgerig opgezet. Annie smakte lieve geluidjes met haar lippen, hield haar handpalm vol duivenboonen lokkend voor het poortje, zonder dat het diertje iets anders bewoog dan 't onrustig hijgerig borstje. Hij is ziek, dacht het meisje, zich een oogenblik bedenkend, dan resoluut haar rechtermouw opstroopend en haar arm door de opening in 't hok stekend. Een oogenblik later stond ze met de duif in de hand, met kennersblik haar inspecteerend ... „Arme Napoleon, wie had ooit gedacht dat jij nog eens zoo zielig in je hok zou zitten. Foei, foei, wat een schande voor jou — wat zeg je? Kan je 't niet helpen ? Nou, weet je wat: we zullen je wel wat geven, want je moet weêr gezond zijn voordat 't meesteresje weggaat, hoor 1"

Zij streek het siddrend plokje veêren, warm-levend in haar hand, liefkoozend langs haar wangen; ze drukte haar neus in 't pluimdons van het hijgend borstje en snapte, met haar lippen, zoenend naar het spitse snaveltje. Dan zette zij het dier voorzichtig weêr in 't hok.

Hoog stond zij in'een vlaag van zon boven het groene grasveld. Aan haar voeten schetterden rood óp uit het halvecirkel-perk de dahlia's, en verderop hieven de boomen hun nog dichte bladerbossen juichend-goud tegen de blauwe lucht. Boven haar was die lucht zoo diep-hoog-ver: ze vóélde die

Sluiten