Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diep-hoog-verte als een ijle dronkenschap in haat hoofd. Zij stond vrij in het vrije op haat laddertje, als uitgegroeid boven de aarde, 'lijk een boom. De zon omstreelde haar en de wind omwuifde haar; 't was heerlijk, héérlijk... Vaag, als in verte, hoorde zij 't gekoer det duiven aan den voet van de til, en zij ging ze te lokken, zoetjes, met gesloten oogen; ze wilde ze nu allen op haar schouders, haar hoofd... En ze klepwiekten aan, de duiven: wit en blauw-grijs, met vloeiing van perlemoeren tinten op de borstjes, klepwiekten ze op haar schouders; ze voelde de pootjes tippen en krieuwelen onder 't flanel van haar bloezetje; ze voelde ze haken in heur haar: éen levende wereld en toch weêr vele levens, tien, twintig levens van alle die beweeglijke, zachte, warm-koerende duivenkinderen, voelde zij zich staan in de zon, in de ruimte, zwevend boven d'aard op haar laddertje... Even zag zij naar beneden, de fel-roode dahlia's, de naar alle kanten weg-ijlende grasvlakte... en duizelde. Ze moest zich, met een schrikje, stevig vastgrijpen of ze zou gevallen zijn. De duiven, van den schok, waren opgevlogen, en ze stond alleen. Daar luidde de bel voor 'tkoffiedrinken;hemel, was het al zoo laat I Snel daalde zij het laddertje af, rende 't grasveld over; haar vlecht zweepte haar rug. Bij de kennels sprongen Castor en Pollux bassend op haar aan, met haar meêhollend, dansende tegen haar op, met hun pooten haar bloezetje besmeurend. „Koest rakkers, koest, tsa... tsa!..'." Onder 't loopen greep ze naar de springende lijven, woelde speelsch met haar handen in het kroesend hondehaar. Tot ze in de achtergang voor het fonteintje halt hield en haar handen wiesch, vlug heur haar overbotstelde, waaruit wat duivensporen vielen te verwijderen. De honden deden de gangen weêrgalmen van hun geblaf...

In den schemer der zijkamer, wat opzij van den haard, waar, om de kilte uit het groote huis te verdrijven, reeds een blokje brandde, zat de oude mevrouw.. Het boekje waaruit zij gelezen had: de Navolging Christi, was haar uit de hand gegleden in^den schoot, en zij luisterde, half ontzet, toch met een glimlach, naar 't geschal door de gangen, en dacht weemoedig hoe dat spoedig niet meet wezen zou ...

II

Lichtjes, met veerende schokjes, raderde de dogcart over

Sluiten