Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder met dat gezeur over Engeland maar niet kon ophouden, en eigenlijk, als ze verstandig nadacht, gaf ze moeder groot geüjk. Haar „educatie" was nog alles behalve voltooid, o hemel nee: wat zouden haar Hèègsche kennissen gezegd hebben als ze haar gezien hadden met die vieze hondenpooten van vanmorgen en „hm, hm" m d'r haar! Shocking, most shocking, indeed... Nee, als ze 't goed bekeek, zou 't verstandig zijn zich door die paar jaar in Engeland maar heen te bijten, en als ze de eerste weken maar door was zou er toch een massa leuks zijn: Londen, heerlijk, een wereldstad! Ze zou Den Haag niet meer aankijken als ze terug kwam! 't Was eigenlijk juist dol te gaan — als ze maar niet zoo opzag tegen die vreemde menschen, het praten als je geen lust had, etcetera. Ellendig dat ze zoo verlegen was,

al zagen de menschen 't haar gewoonlijk niet aan

Ze reed nu het stations-pleintje op, zonnig-kaal met zijn rijen hollandsch-zindelijk geschrobde klinkertjes, waarover de wielen krassend kletterden. — Ho Carl daar zijn w'er... Dag Jan, is er al een koffer gekomen voor het Huis?

Dè kruier tikte aan zijn pet. — Jawel juffrouw, de koffer is gekomen; heb ik om twaalf uur met Heins den vrachtrijder meegegeven. •

— Mooi zoo, wierp Annie de leidsels toe aan tgroompje dat al was afgesprongen en 't paard bij den toom hield. Zij hipte de treê af en klopte in 't voorbijgaan Lea, alias Don Carlos, even Üefkoozend op de bil. Lea was haar lievelingspaard, ondanks haar naam. Zij, Annie, die haar duiven zulke mooie namen placht te geven : Maarschalk Ney, Wellington, Willem de Zwijger, Napoleon... zij vergaf het Bertus den koetsier niet licht: dien naam van 't paard. Zijzelve had Lea nu verdoopt in Don Carlos, of, afgekort, Carl, tot ergernis van Bert weêr, die 't maar niet kon verkroppen dat zijn merrie den naam droeg van een spaanschen Don 1

Op de spoorklok zag zij nog maar twee minuten tijd te hebben; dus ging zij het gebouw binnen en bleef op het smalle perronnetje wat heen en weêr drentelen, af en toe turend in de richting van Arnhem. Rossig lagen de rails beglansd door de al dalende zon, heenlijnend naar het verschiet; aan de overzij van den spoorweg groenden de weilanden, met aan de kim wat donker geboscht. Er scheen slechts één reiziger: een oude heer, die op een bank een courant zat te lezen. Even kwam de chef naar buiten, met slaperig gezicht en zonder pet; zijn haren zaten of hij ze zoo net

Sluiten