Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den de roerlooze boommassa's in het laatste licht. In 't midden van 't gazon, om de witte til, klapwiekten duiven.

— Hè... hier bekom je... Ja, 't is wel heerlijk buiten, verzuchtte mevrouw, haar beringde vingers tegen elkaar buigend, dat de gewrichten knapten. Annie keek naar de ringen, keek naar haar moeder, zooals ze daar stond, groot in haar lila tailor, onder 't achteloos open geflodderde manteltje haar blouse van chineesche zij met écru kanten kraag; het blonde hoofd onder den grooten hoed wat koper beschenen. Annie keek, en: — O, moeder, wat ben je mooi en wat... wat ruik je lekker 1 had ze uitgeroepen, spontaan, toen dadelijk wat verlegen om 't geen ze gezegd had.

Mevrouw Hada lachte. — Dwaas kind, tikte ze Annie op de wang. — En jou, laat me jou nu eens goed bekijken. Dat groen staat je wel, zeker in Arnhem laten maken, niet? 't Gaat al schemeren zie je wel: de zon trekt van de boomen weg; jammer 1 Morgen vroeg opstaan; jammer dat 't al October is; goddelijk anders: vroeg op te staan: de dauw nog zoo op alles te zien liggen.

— Moeder 1 'k heb jou nooit vroeg op zien staan! schaterde Annie.

— Ai kind, wat lach je plomp, ca ne se fait pas. Mag ik vragen of je me overal gevolgd ben in Karbbad, in Wiesbaden ?...

Annie was dadelijk vol vuur. — Hé ja moeder, straks aan tafel vertel je nietwaar: van alles wat je gedaan hebt, wat voor menschen je hebt ontmoet ? En nu zal ^ ik je maar even alleen laten, niet; ik moet me nog voor 't eten verkleeden...,

Beneden, in de zijkamer, waar 't licht was aangestoken en het vlammend blok in den haard een behaaglijke warmte verspreidde, zat, op de canapé, in de rood-stille schaduw van een zijde-omkapte lamp, de oude mevrouw Hada haar schoondochter op te wachten. Ze was wat beverig en kil, ondanks de warmte in 't vertrek: ze geloofde zich zenuwachtig door de komst van Sophie. 't Was een goed kind, Sophie: J»o hartelijk als ze haar gekust had. Alleen... ze was wat bang voor Sophie, ja, liet zij oude vrouw 't zich maar eerlijk bekennen: ze was wat bang voor haar... Sophie was zoo groot — zij voelde er zich zoo nietig tegenover — en daarom wat bruusk misschien, met zulk een harde stem en een lach die haar pijn deed.

En waarom je zoo kleeden als Sophie deed? 't Was wel

Sluiten