Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zooals mama verleden jaar op 't Kurhaus hem nog had nagedaan: „Daag mevrouw Hèèdèè, hoe mèèkt u het? De zee is maanjiflek van avond, vindt u niet." En nu had moeder met Henkie gedanst. Eenig leuk toch aan zoo'n badplaats; 's morgens wakker te worden met muziek:

s middags weêr concert en pantoffelparade, en 's avonds bal... Ze was dol op dansen; ze zou haast 'n moord doen voor een wals, geloofde ze; zalig gewoonweg. Daarom vond ze t ook heerlijk weêr naar Den Haag terug te gaan, al moest ze er De Groote Brink dan ook voor achterlaten. Haar Groote Brink 1... Ze lichtte het gordijn een weinig op en zag naar buiten.

\ ii3S CCn donkere avond; geen maan. Als inkt-zwarte plakkaten stonden de boomen voor het huis; zacht ruizelend. Morgen zou ze vroeg opstaan: afscheid gaan nemen van al haar plekjes. Moeder had haar beloofd óók vroeg op te staan: „om de dauw nog zoo op alles te zien liggen I" maar moeder versliep zich tóch: die was veel te lui I En eigenlijk ging ze ook liever alleen. Moeder begréép De Groote Brink niet; niet zooals zij; moeder kon voor al haar plekjes niets voelen. Gek, nu vond ze 't opeens weêr naar, om overmorgen weg te gaan: als je wat lang keek in dat donker en luisterde naar 't boomengeruisch — dan was het net of al het andere van je wegviel, of er niets was dan die ouwe, trouwe, geheimzinnige Groote Brink... Gek dat w n u jcd O000011 in naar mond had: een bonbon uit de Wiesbader doos van mama. De Brink en bonbons — dat hoorde nu zoo heelemaal niet bij mekaar...

Het raam sloeg koü af op haar blooten hals, en ze rilde. Nu gauw in bed; ze kreeg slaap ook, en 't zou haar spijten als ze morgen niet vroeg wakker werd...

iv

— Morgen juffrouw, frisch weertje!

Bertus stond aan den ingang van den stal zijn tuig te poetsen. Dat was zijn rage. - Morgen Bert. heerlijk weer. zeg, wat was Carlos gisteren weêr schichtig.

De koetsier krabde zich achter 't oor. — Ja, wat zal 'k de juffrouw zeggen; de merrie is altijd wat lastig in de band geweest. Waarom de juffrouw dan ook altijd met Lea rijden wil...

Maar Annie was al verder den stal in, naar de peerden. — Morgen Joris, knikte ze den knecht toe, die den stal uitmestte.

Sluiten